6
Economische sectoren van belang voor België

 

Wat zijn de wetten, richtsnoeren en initiatieven voor de economische sectoren die in België relevant zijn?

Tool 6 geeft aanvullende richtlijnen voor economische sectoren, relevant voor de Belgische economie. De informatie in Tool 6 kan organisaties helpen bij het identificeren en beoordelen van de impact op de mensenrechten die hun activiteiten en de economische sector waartoe ze behoren, hebben.

In Tool 6 komen de volgende sectoren aanbod: de bouw, metalen en mineralen, farmaceutica, transport, wapenhandel en de diamantindustrie. Voor elk van deze sectoren overlopen we de belangrijkste wetgeving, richtsnoeren, sectorinitiatieven, multi-stakeholderinitiatieven en certificatieschema's.

Kortom: Tool 6 helpt organisaties een antwoord te vinden op de volgende vragen:
- Hoe zijn de sectoriele en operationele context van een onderneming relevant voor haar verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren? (Vraag 15 van de ‘Interpretive Guide’ betreffende de United Nations Guiding Principles, UNGP)
- Welke mensenrechtenkwesties zijn markante ('salient') voor uw bedrijf? (Vraag 23 van de ‘Interpretive Guide’ betreffende de UNGP)

GOED OM TE WETEN: Het methodologisch kader van Tool 6 vindt u onderaan deze webpagina. Hier klaren we een aantal zaken uit, zoals het belang van Tool 6, het waarom achter de keuze voor een sectorbenadering, hoe de sectoren werden geselecteerd en hoe Tool 6 kadert het grotere geheel van de Toolbox Bedrijven en Mensenrechten.

Bouwsector

Regelgevingskader voor de bouwsector 

Bouworganisaties worden geconfronteerd met steeds hogere verwachtingen ten aanzien van de naleving van arbeids- en mensenrechtennormen. Deze verwachtingen komen van publieke en private klanten, het maatschappelijk middenveld en nationale en internationale regelgeving. 

In dit deel wordt ingegaan op de internationale, Europese en nationale wetgeving waaraan bouworganisaties zich moeten houden om de mensenrechten, waaronder arbeids- en milieurechten, te respecteren. Onderstaande tekst bevat ook richtlijnen die tot doel hebben organisaties te helpen bij het naleven van de mensenrechten. 

 Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)

De IAO heeft de afgelopen decennia belangrijke verdragen ontwikkeld die relevant zijn voor of specifiek gericht zijn op de bouwsector. In zijn Nationaal Actieplan (actiepunt 26) verbindt België zich ertoe een reeks IAO-verdragen over gezondheid en veiligheid op het werk te onderschrijven. 

Dit hoofdstuk verwijst enkel naar de IAO-verdragen die door België zijn geratificeerd. Vanwege het grote aantal conventies zal dit instrument alleen de belangrijkste conventies vermelden en alleen de meest relevante voor de bouwsector toelichten. 

De acht kernconventies van de IAO

Gezondheid en veiligheid op het werk

De volgende conventies zijn relevant voor de bouwsector: 

De volgende twee praktijkcodes zijn specifiek van toepassing op de bouwsector: 

De Safety in the use of synthetic vitreous fibre insulation wools (glass wool, rock wool, slag wool)  (2001) praktijkcode definieert belangrijke principes en benaderingen met betrekking tot veiligheidseisen en voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van isolatie wol. Het biedt praktische controlemaatregelen om de blootstelling aan vezels en stof op het werk tot een minimum te beperken, irritatie en ongemak te voorkomen en gezondheidsrisico's op lange termijn te voorkomen. 

De gedragscode voor Safety and health in construction (1992) biedt praktische richtlijnen voor het wettelijke, administratieve, technische en educatieve kader voor veiligheid en gezondheid in de bouw, met het oog op: 

Europese Unie

De Europese Unie beschikt over tal van richtlijnen, verordeningen, richtsnoeren en (certificerings)instrumenten die relevant zijn voor de bouwsector. Sommige richten zich rechtstreeks op de bouwsector, andere richten zich niet louter op de bouwsector, maar hebben wel een directe impact op de sector. De belangrijkste zijn hieronder opgesomd:

Richtlijnen en verordeningen betreffende de interne markt en energie-efficiëntie

De Verordening nr. 305/2011 (2011) betreffende bouwproducten stelt geharmoniseerde voorwaarden vast voor het in de handel brengen van bouwproducten in de EU. De verordening voorziet in een gemeenschappelijke technische taal om de prestaties van bouwproducten te beoordelen. Het zorgt ervoor dat er betrouwbare informatie beschikbaar is voor professionals, overheden en consumenten, zodat zij de prestaties van producten van verschillende fabrikanten in verschillende landen kunnen vergelijken.

Het doel van de verordening is de kwaliteit en veiligheid van de bouw te waar borgen - met bijzondere aandacht voor de bescherming van werknemers, consumenten en het milieu - door de conformiteit van bouwproducten met de minimumeisen. De minimumeisen voor bouwmaterialen zijn:

  1. Mechanische weerstand en stabiliteit;
  2. Veiligheid in geval van brand;
  3. Hygiëne, gezondheid en milieu;
  4. Veiligheid en toegankelijkheid in gebruik;
  5. Bescherming tegen lawaai;
  6. Energiebesparing en warmtebehoud;
  7. Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

De volgende EU-richtlijnen zijn relevant voor de bouwsector: 

Richtlijnen en verordeningen inzake gezondheid, veiligheid en milieu op het werk

De EU heeft verschillende richtlijnen die relevant zijn voor de bouwsector. Deze regelen de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk. Ze richten zich bijvoorbeeld op het manueel hanteren van lasten, tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, bouw- en sloopafval en asbest. 

EU-verordening1907/2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) is relevant voor bouwproducten die teruggewonnen stoffen gebruiken, zoals metalen, aggregaten en glas. De belangrijkste doelstellingen van de verordening zijn het waarborgen van een hoog niveau ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen de schadelijke gevolgen die chemische stoffen kunnen opleveren, het vrije verkeer van stoffen op de interne markt, en het verbeteren van het concurrentievermogen en innovatie.

EU-verordening 66/2010 betreffende het EU-milieukeurmerk helpt producten en diensten te identificeren die gedurende hun hele levenscyclus, van de winning van grondstoffen tot en met de productie, het gebruik en de verwijdering, een verminderd milieueffect hebben.

EU-verordening 995/2010 verbiedt de invoer van illegaal gekapt hout. Importeurs zijn verplicht een stelsel van zorgvuldigheidseisen in te voeren dat de herkomst van het hout en de wettigheid ervan bepaalt. Handelaren hebben de verplichting om hun directe leveranciers en, indien van toepassing, hun klanten te traceren. 

Richtsnoeren 

De Gevaarlijke stoffen database CP-DS biedt informatie over de regelgeving t.a.v. bouwproducten met betrekking tot gevaarlijke stoffen. Het is bedoeld om geïnteresseerde partijen te helpen bij het identificeren van relevante regelgeving. 

De EU-LCI-databank (‘Lowest Concentration of Interest’) biedt een reeks gemeenschappelijke waarden op EU-niveau voor de laagste drempelwaarde binnenkamers. 

De Richtsnoeren voor de afval audits voor sloop- en renovatiewerkzaamheden van gebouwen (2018) zijn bedoeld voor organisaties die afval verwerken bij sloop, hergebruik en recycling in de bouwsector. De tekst bevat voorbeelden van beste praktijken, aanbevolen sjablonen en een lijst van internationale, EU- en nationale beleids- en randvoorwaarden. 

De Commissie van de EU heeft het niet-bindende Protocol inzake het beheer van bouw- en sloopafval (2016) ingevoerd, waarin de volgende acties worden voorgesteld: 

  • Verbeterde afvalidentificatie;
  • Bronscheiding en inzameling;
  • Verbeterde afvallogistiek;
  • Verbeterde afvalverwerking;
  • Kwaliteitsmanagement;
  • Passende beleids- en randvoorwaarden. 

Het ‘Level(s) Building sustainability performance’ is een vrijwillig rapportage kader om de duurzaamheid van gebouwen te verbeteren. Binnen dit kader is elke indicator ontworpen om de impact van het individuele gebouw op het milieu te koppelen aan de prioriteiten voor duurzaamheid op Europees niveau.

Het CE-keurmerk is een EU-etiket. Alle EU-landen moeten de verkoop van bouwproducten met de CE-markering toestaan. Dit betekent dat de overheid geen aanvullende merken of certificaten kan vragen. Materialen mogen alleen worden voorzien van een CE-markering als ze voldoen aan de eisen van de bouwproducten verordening (Verordening N° 305/2011)  en de bijbehorende geharmoniseerde technische specificaties.Fabrikanten die van plan zijn hun producten van een CE-markering te voorzien, kunnen de gids CE-markering stap voor stap (2015) raadplegen.

België

België heeft tal van wetten en richtlijnen die relevant zijn voor de bouwsector. Sommige richten zich rechtstreeks op de bouwsector, andere richten zich niet louter op de bouwsector, maar hebben wel een directe impact. 

De voor de bouwsector relevante nationale wetgeving heeft betrekking op het algemene welzijn van werknemers, het verbod op kinderarbeid en het verbod op mensenhandel en -smokkel. Ook relevant voor de bouwsector zijn de regels en voorschriften met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en het verbod op het in dienst nemen van mensen met een onregelmatige migratiestatus. Organisaties of zelfstandigen die in een ander land zijn gevestigd, moeten hun buitenlandse werknemers of zichzelf aanmelden bij de sociale zekerheidsinstanties. Dit is de zogenaamde Limosa-aangifte, die in België verplicht is. 

De website van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg geeft meer informatie over de relevante regelgevende kaders voor organisaties in de bouwsector. 

Sociale dumping is de praktijk van werkgevers die goedkopere arbeidskrachten gebruiken dan gebruikelijk is onder de Belgische wetgeving, bijvoorbeeld door buitenlandse werknemers in dienst te nemen. De volgende richtsnoeren zijn gericht op de bestrijding van sociale dumping: 

  • Het Plan voor Eerlijke Concurrentie (2015) bevat 40 maatregelen ter bestrijding van sociale dumping en detacheringsfraude. Een daarvan is visuele identificatie voor bouwvakkers, de zogenaamde ConstruBadge. De regering heeft samen met werkgevers en vakbonden uit de bouwsector het plan ondertekend.
  • De richtlijnen voor de bouwsector (2017) formuleren richtlijnen voor zowel bouwbedrijven als sociale partners. Alle sociale inspectiediensten passen deze richtlijnen op uniforme wijze toe om een gelijk speelveld te creëren voor alle actoren in de bouwsector.
  • Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) is een strategisch orgaan dat een visie ontwikkelt op sociale fraudebestrijding en deze vertaalt in concrete strategieën. Op die manier draagt de SIOD ook bij tot het strategisch plan en de jaarlijkse actieplannen sociale fraudebestrijding.
Initiatieven van de industrie

Dit deel geeft een selectie van initiatieven uit de sector die tot doel hebben organisaties te helpen bij de naleving van de mensenrechten door middel van richtsnoeren en normen.

Building Responsibly 

Verantwoord Bouwen (‘Building Responsibly’) is een wereldwijd initiatief van de machinebouw- en bouwsector om de rechten en het welzijn van werknemers in de bouwsector te bevorderen. Het initiatief ontwikkelt gemeenschappelijke benaderingen en normen, deelt leer- en hulpmiddelen en betrekt werknemers en andere belanghebbenden bij de specifieke uitdagingen waarmee organisaties worden geconfronteerd. 

‘Building Responsibly’ ontwikkelde tien principes om een gemeenschappelijke, wereldwijde basis voor de behandeling van werknemers in de machinebouw en de bouwsector vast te stellen. Dit zijn de ‘Worker Welfare Principles’:

  • Werknemers worden met waardigheid, respect en eerlijkheid behandeld
  • Werknemers zijn vrij van dwangarbeid, mensenhandel en kinder arbeid;
  • Rekruteringspraktijken zijn ethisch, legaal, vrijwillig en vrij van discriminatie;
  • De vrijheid om van baan te veranderen wordt gerespecteerd;
  • De arbeidsomstandigheden zijn veilig en gezond;
  • De leefomstandigheden zijn veilig, schoon en leefbaar;
  • De toegang tot documentatie en mobiliteit is onbeperkt;
  • Loon- en uitkeringsovereenkomsten worden gerespecteerd;
  • De werknemersvertegenwoordiging wordt gerespecteerd;
  • Klachtenmechanismen en toegang tot rechtsmiddelen zijn gemakkelijk beschikbaar.
Europese Federatie van de Bouwnijverheid

De Europese Federatie van de Bouwnijverheid (FIEC) spreekt voor de Europese bouwsector. Met 31 nationale ledenfederaties vertegenwoordigt het bouworganisaties van alle groottes, van alle bouw- en civieltechnische specialismen, en houdt het zich bezig met alle soorten werkmethoden. De FIEC is de sociale partner die de werkgevers vertegenwoordigt in de Europese sectorale sociale dialoog over de bouw.

Confederatie Bouw 

De Confederatie Bouw werd in 1946 opgericht als overkoepelende werkgeversorganisatie voor de bouwsector in België. Het vertegenwoordigt meer dan 15.000 organisaties in de bouwsector: zelfstandigen, KMO's en MNO's, actief in alle sectoren van de bouw. De Confederatie verdedigt de belangen van de sector bij de overheid, economische beleidsmakers en bouwpartners.

De leden van de Confederatie krijgen informatie, advies, ondersteuning bij formaliteiten en opleiding. In het Charter van de Confederatie Bouw tegen sociale dumping en fraude bij detachering (2016) geeft de Confederatie richtsnoeren aan haar leden om sociale dumping te bestrijden. 

 Multi-stakeholder initiatieven

Dit deel geeft een selectie van multi-stakeholder initiatieven die tot doel hebben organisaties te helpen bij het naleven van de mensenrechten door middel van richtsnoeren en certificeringsnormen.

U.S. Green Building Council – LEED

LEED, oftewel ‘Leiderschap in Energie- en Milieu-ontwerp’, is een groen classificatiesysteem voor gebouwen. Het is beschikbaar voor alle soorten gebouwen. Het is een certificeringsprogramma voor groene gebouwen van derden dat wereldwijd erkende normen vaststelt voor het ontwerp, de bouw en de exploitatie van hoogwaardige groene gebouwen. LEED-certificering is een initiatief van de Amerikaanse ‘Green Building Council’.

Mega-Sporting Events Platform for Human Rights

Het Mega-Sporting Events Platform for Human Rights’ is een multi-stakeholder initiatief dat zich richt op mensenrechtenkwesties gedurende de hele levenscyclus van grote sportevenementen, met een focus op de bouw van ondersteunende infrastructuur in de gastlanden.

Raad voor bosbeheer 

De ‘Forest Stewardship Council’ (FSC) stelt normen vast voor verantwoord beheerde bossen, zowel op milieugebied als op sociaal gebied. FSC-certificering bevestigt dat organisaties in de toeleveringsketen voldoen aan de ‘best practice’ standaarden van FSC. 

Infrastructure Transparency Initiative

Het Infrastructuur transparantie-initiatief (CoST) is een initiatief van meerdere belanghebbenden dat tot doel heeft de transparantie en verantwoordingsplicht in de openbare infrastructuur te verbeteren. CoST werkt aan het bevorderen van de openbaarmaking, validatie en interpretatie van gegevens uit infrastructuurprojecten. 

Expertise centrum
BRE - BREEAM

BRE is een expertisecentrum dat onafhankelijk onderzoek genereert. Het onderzoek wordt gebruikt om producten, normen en kwalificaties te creëren die ervoor zorgen dat constructies veilig, efficiënt, productief, duurzaam en aangenaam zijn. 

BREEAM is een duurzaamheidsbeoordelings methode voor de planning van projecten, infrastructuur en gebouwen. BREEAM doet dit door middel van certificering door derden van de beoordeling, van de prestaties op het gebied van milieu, sociale en economische duurzaamheid van een activum, aan de hand van door BRE ontwikkelde normen. 

Metalen en mineralen

Regelgevingskader voor de metalen en mineralen sector
Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)
Bindende wetgeving

De IAO Conventie t.a.v. veiligheid en gezondheid in mijnen (1995) zorgt voor de gezondheid en veiligheid van mijnwerkers op de werkplek. Het is van toepassing op alle mijnen. De verantwoordelijke partijen zijn de regering en werkgevers uit landen, waaronder België, die het verdrag hebben geratificeerd. 

De fundamentele IAO-conventies en de meerderheid van de conventies die in dit instrumentarium genoemd worden in de bouwsector, zijn ook van toepassing op de sector van metalen en mineralen.

Niet-bindende regelgeving

De IAO Praktijkcode t.a.v. veiligheid en gezondheid in koolmijnen (1986)  biedt richtsnoeren voor het opstellen van veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor de kolenmijn industrie. Het bevat bepalingen over algemene veiligheids- en gezondheidsmaatregelen, specifieke maatregelen voor ondergronds werken, rijden op de weg en in schachten, kolenverbranding, vervoer, enz. en procedures voor de bestrijding van stof, mijngas, brand en andere gevaren.

De Praktijkcode t.a.v. veiligheid en gezondheid in ondergrondse koolmijnen (2009) bevat een nationaal kader dat de rol van de bevoegde autoriteiten, werkgevers, werknemers en hun organisaties specificeert. Het omvat ook een methodologie voor het identificeren van gevaren en het voorkomen en minimaliseren van risico's, alsook specifieke bepalingen voor veilige ondergrondse steenkoolwinning.

De IAO Praktijkcode t.a.v. veiligheid en gezondheid in open mijnen (1991) is van toepassing op elke situatie of operatie met betrekking tot de veiligheid en gezondheid op het werk in open mijnen. Het vereist dat de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor veiligheid, gezondheid en arbeidsomstandigheden aandacht besteden aan deze situaties. 

Het IAO-handboek over veiligheid en gezondheid in kleinschalige bovengrondse mijnen (2001) is gericht op alle actoren die betrokken zijn bij kleinschalige dagbouw. Het bevat de basisvereisten voor de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers en aanbevelingen voor goede mijnbouwpraktijken die in dit verband moeten worden gevolgd.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)

De OECD Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas (2016) geeft gedetailleerde aanbevelingen om organisaties te helpen de mensenrechten te respecteren, en vermijden bij te dragen aan conflicten, door het hanteren van gepaste aankoopbeslissingen en -praktijken t.a.v. mineralen. De leidraad is bedoeld voor elke organisatie die potentieel mineralen of metalen betrekt uit door conflicten getroffen en risicovolle gebieden. Door conflicten getroffen en risicovolle gebieden worden geïdentificeerd aan de hand van de aanwezigheid van gewapende conflicten, wijdverbreid geweld of andere risico's op schade aan mensen. 

De gids is van toepassing op alle mineralen en heeft een wereldwijde reikwijdte. Het uiteindelijke doel is het bevorderen van een verantwoorde betrokkenheid van de particuliere sector in post-conflict kwetsbare staten.Sinds de vaststelling in 2011 is de ‘Guidance’ uitgegroeid tot de toonaangevende industriestandaard op het gebied van transparantie en integriteit voor organisaties in de minerale toeleveringsketen. 

Organisaties worden geacht de keuze van hun leveranciers en inkoopbeslissingen regelmatig te herzien en het volgende vijfstappen kader, m.b.t. een op risico gebaseerde gepaste zorgvuldigheids-audits t.a.v. verantwoorde mineralen-toeleveringsketens uit conflictgebieden en gebieden met een hoog risico, in hun managementsystemen te integreren: 

1. Opzetten van sterke managementsystemen

Organisaties moeten: 
  • Stel een klachtenmechanisme in als een vroegtijdig waarschuwingssysteem voor risicobewustzijn.
  • Versterken van de betrokkenheid met leveranciers. 
  • Opzetten van een systeem van controles en transparantie van de bevoorradingsketen voor mineralen, met inbegrip van een bewakingsketen, een traceerbaarheidssysteem of de identificatie van stroomopwaartse-actoren in de bevoorradingsketen
  • Structureer het interne beheer ter ondersteuning van de gepaste zorgvuldigheid van de toeleveringsketen. 
  • Vaststelling van een beleid, met inbegrip van de zorgvuldigheidsnormen, voor de bevoorradingsketen van mineralen afkomstig uit conflictgebieden en gebieden met een hoog risico.  

2. Identificeren en beoordelen van risico's in de toeleveringsketen. Organisaties moeten de risico's in hun toeleveringsketen in kaart brengen en de risico's van negatieve effecten beoordelen. Een aanvulling op de leidraad bevatvoorstellen voor maatregelen voor risicobeperking en indicatoren voor het meten van verbeteringen. 

3. Ontwerp en implementeer een strategie om te reageren op geïdentificeerde risico's. Organisaties moeten een strategie voor risicobeheer ontwikkelen en aannemen. Zij dienen dit plan uit te voeren en de prestaties van de inspanningen om de risico's te beperken, te monitoren en te volgen. Het hoger management moet op de hoogte worden gebracht van elke stap in dit proces. 

4. Uitvoeren van onafhankelijke gepaste zorgvuldigheids-audits door derden op verschillende niveaus in de toeleveringsketen. Dergelijke audits kunnen worden geverifieerd door een onafhankelijk geïnstitutionaliseerd mechanisme. 

5. Rapporteer publiekelijk over het beleid en de praktijken op het gebied van gepaste zorgvuldigheid met betrekking tot de bevoorradingsketen van mineralen. Publieke rapportering is de sleutel tot het vertalen van gepaste zorgvuldigheid naar daadwerkelijke veranderingen in de toeleveringsketens, met name in productiegebieden.

De Guidance heeft twee supplementen: de ene richt zich op goud en de andere op tin, tantaal en wolfraam (in het Engels aangeduid met 3T: tin, tantalum, tungsten). Deze supplementen bieden specifieke begeleiding op basis van de plaats in de minerale toeleveringsketen. Beide supplementen identificeren rode vlag locaties die de gepaste zorgvuldigheidsnormen in de gids activeren. 

Voor zowel 3T-mineralen als goud is het hierboven beschreven kader van vijf stappen van toepassing. Voor 3T bevat de gids specifieke aanbevelingen voor lokale uitvoerders van delfstoffen, internationale handelaren in concentraat en recyclage-bedrijven, smelterijen/raffinaderijen, alle upstream bedrijven (van de mijn tot smelterijen/raffinaderijen) en alle downstream bedrijven (van smelterijen/raffinaderijen tot detailhandelaren). Voor goud bevat de gidsspecifieke aanbevelingen voor middelgroteen grote goudmijnbouwbedrijven en ambachtelijke en kleinschalige mijnbouwbedrijven, lokale uitvoerders, recyclers, internationale handelaars in gedolven en recycleerbaar goud, raffinaderijen, goudbanken en alle andere downstreamorganisaties(bijvoorbeeld downstreamgebruikers van goud en goudmaterialen, en fabrikanten van voorwerpen die goud bevatten). 

Als aanvulling op de Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals zijn de praktische acties voor bedrijven om de ergste vormen van kinderarbeid in de minerale ketens te identificeren en aan te pakken (2017) en het betrekken van goud uit ambachtelijke en kleinschalige mijnbouw (2016), waarin belanghebbenden worden opgeroepen om zich in te zetten voor de legalisering en formalisering van ambachtelijke mijnbouwgemeenschappen.

De Due Diligence Guidance for Meaningful Stakeholder Engagement in the Extractive Sector (2017) is een OESO-richtsnoer die een praktisch kader biedt voor het identificeren en beheren van risico's met betrekking tot de allerhande activiteiten die belanghebbenden engageren.

Europese Unie

EU Verordening 2017/821 legt de zorgvuldigheidseisen vast voor EU-invoerders van tin, tantaal en wolfraam, hun ertsen en goud afkomstig uit conflictgebieden en gebieden met een hoog risico. De verordening is gebaseerd op de OESO Guidance for responsible mineral supply chains.

Deze verordening heeft tot doel het verband tussen conflicten, schendingen van de mensenrechten en de wereldwijde handel in mineralen te verstoren door van invoerders, van ertsen, 3T en goudnaar de EU, van waar ook ter wereld, te eisen dat zij dit op verantwoorde wijze doen. De EU-invoerderszijn verplicht het vijfstappenkader van de OESO voor op risicoanalyse gebaseerde zorgvuldigheidseisen toe te passen als instrument om zich op verantwoorde wijze te bevoorraden in gebieden met een hoog risico. Tot de invoerders in de EU behoren in de EU gevestigde smelterijen, raffinaderijen, handelaren, banken en fabrikanten die 3T en goudmineralen en metalen in de EU invoeren. Invoerders wier jaarlijks invoer volume voor elk mineraal of metaal onder de specifieke volumedrempels vallen, zijn vrijgesteld van de verplichte vereisten. Organisaties die 3T en goud importeren als gerecycled of schrootmateriaal vallen binnen het toepassingsgebied van de verordening, maar zijn onderworpen aan verminderde zorgvuldigheidseisen.

Organisaties verder downstream die 3T en goud naar de EU brengen, bijvoorbeeld in producten of componenten, vallen momenteel niet onder de verordening. Desalniettemin verwachten de EU Commissie en de lidstaten van de EU dat alle organisaties in de minerale toeleveringsketens voldoen aan de gepaste zorgvuldigheidsnormen van de UNGP en de OESO-richtsnoeren

De verordening schrijft voor dat bedrijven een aantal risico's in de toeleveringsketen in verband met de winning, de handel, het vervoer en de uitvoer van mineralen moeten aanpakken. Deze risico's omvatten negatieve gevolgen die verband houden methet tolereren van, profiteren van of bijdragen tot ernstige schendingen van de mensenrechten.

Hoewel het merendeel van de voorschriften van de verordening pas in januari 2021 volledig van kracht wordt, moedigt de Commissie alle organisaties toch aan om vóór die datum een begin te maken met de nodige zorgvuldigheid in hun toeleveringsketens. De door de verordening vereiste praktijken zijn niet nieuw voor organisaties of regeringen, aangezien de EU de OESO-richtsnoeren en de UNGP's in 2011 reeds heeft onderschreven en zich ertoe heeft verbonden deze te bevorderen. De EU verwacht dan ook vanalle organisaties in de minerale toeleveringsketens - niet alleen die welke zich bezighouden met 3T en goud - dat zij denodige zorgvuldigheid in de toeleveringsketen in overeenstemming met de OESO-normen betrachten.

De US 2010 Dodd Frank Act Section 1502 heeft overeenkomsten met de EU-regelgeving, omdat het vereist dat organisaties een gepast zorgvuldigheidsonderzoek van hun toeleveringsketen uitvoeren, maar het richt zich alleen op goud, tin, wolfraam en tantaal uit de Democratische Republiek Congo of een aangrenzend land. 

Initiatieven van de industrie

De initiatieven die in dit hoofdstuk worden besproken, zijn erop gericht om de aangesloten organisaties te helpen met verantwoorde inkoop van mineralen in hun toeleveringsketens door het opstellen van richtlijnen, het uitvoeren van audits of het monitoren van toeleveringsketens. Deze lijst is niet volledig. 

 Alle minerale hulpbronnen
International Council on Mining and Minerals

De International Council on Mining and Minerals(ICMM) is een internationale organisatie die zich inzet voor een veilige, eerlijke en duurzame mijnbouw- en metaalindustrie. Het lidmaatschap van ICMM vereist een verbintenis van de aangesloten organisaties om de 10 ICMM-beginselen uit te voeren en daarover te rapporteren. Deze principes omvatten de integratie van ethische handelspraktijken en duurzame ontwikkeling in de bedrijfsstrategie,en de eerbiediging van de mensenrechten. 

Responsible Business Alliance

De Responsible Business Alliance (RBA) is een industriële coalitie die zich toelegt op een verantwoorde elektronica toeleveringsketen. De Responsible Business Alliance, voorheen de Electronic Industry Citizenship Coalition, bestaat uit elektronica-, retail-, auto- en speelgoed organisaties die zich hebben geëngageerd om de rechten en het welzijn van werknemers en gemeenschappen die getroffen worden door de electronica toeleveringsketen te ondersteunen. De leden verbinden zich tot en zijn verantwoording schuldig aan de RBA-gedragscode (2018), die een reeks normen bevat t.a.v. sociale, milieu- en ethische kwesties in de toeleveringsketen van de elektronica-industrie. 

Responsible Minerals Initiative

Het Responsible Minerals Initiative (RMI) stelt middelen ter beschikking van bedrijven in diverse industrieën voor een verantwoorde winning van mineralen in toeleveringsketens. Deze instrumenten en middelen omvatten het Responsible Minerals Assurance Process, over het nemen van inkoopbeslissingen die de naleving van de regelgeving verbeteren en verantwoorde inkoop in conflictgebieden en gebieden met een hoog risico ondersteunen.

Kobalt
Responsible Cobalt Initiative

Het Responsible Cobalt Initiative is een kader dat leden in staat stelt om potentiële negatieve effecten van hun bedrijfsactiviteiten en relaties te identificeren en aan te pakken. Dit houdt onder meer in dat bedrijven worden opgeroepen om na te gaan hoe hun kobalt wordt gewonnen, getransporteerd, geproduceerd en verkocht. Het Verantwoord Kobalt Initiatief is gebaseerd op de OESO-richtsnoeren. Het werd op gang getrokken door de Chinese Kamer van Koophandel,  met steun van de OESO, voor invoerders en uitvoerders van metalen, mineralen en chemicaliën. 

 Tin en tantaan
International Tin Supply Chain Initiative (ITSCI)

Het International Tin Supply Chain Initiative (ITSCI) wordt geleid door de tin- en tantaal industrie en uitgevoerd in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en overheden. Het heeft tot doel de belangrijkste aspecten van de gepaste zorgvuldigheid in de tin toeleveringsketen te institutionaliseren volgens de OESO-richtsnoeren. ITSCI houdt toezicht op de toeleveringsketens om gebruikers van tinin staat te stellen zich op verantwoorde wijze te bevoorraden,zonderzich volledig te moeten losmaken van gebieden met een hoog risico, en tegelijkertijd voor zorgenddat mijnwerkers blijven profiteren van de toegang tot de markten. ITSCI richt zich op tin afkomstig uit Burundi, de Democratische Republiek Congo, Rwanda en Oeganda.

Goud, zilver, platina en palladium
London Bullion Market Association’s Responsible Sourcing Programme

Het verantwoord in koop programma van de London Bullion Market Association (LBMA) is opgezet om de bestaande normen voor gepaste zorgvuldigheid voor raffinaderijen te consolideren, te versterken en te formaliseren. De Responsible Gold, Silver, Platinum en Palladium Guidances zijn verplichte kaders voor alle raffinaderijen die op de London Bullion Market willen verkopen. De kaders omvatten maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en schendingen van de mensenrechten. 

 Steenkool
World Coal Association

De World Coal Association (WCA) is het wereldwijd netwerk voor de kolenindustrie. Het wil de fundamentele rol die steenkool speelt bij het bereiken van een duurzame, koolstofarme energietoekomst demonstreren en accepteren. De vereniging richt zich op het verbeteren van de milieuprestaties, het beschermen van watervoorraden, het verminderen van emissies, gezondheid en veiligheid, eerlijkheid in werkgelegenheid, mensenrechten, betrokkenheid van de gemeenschap, transparantie en goed bestuur. 

Multi-stakeholder initiatieven

Dit hoofdstuk geeft een selectie van multi-stakeholder initiatieven die tot doel hebben organisaties te helpen bij het naleven van de mensenrechten door middel van richtsnoeren en het delen van kennis. 

Voluntary Principles

De Voluntary Principles (2000) zijn de enige mensenrechten richtsnoeren die specifiek voor de extractieve sectoren zijn opgesteld. Deelnemers aan het Voluntary Principles Initiative - waaronder overheden, bedrijven en NGO's - komen overeen om de Voluntary Principles proactief te implementeren of te helpen implementeren. De beginselen zijn bedoeld als leidraad voor organisaties bij het handhaven van de veiligheid en beveiliging van hun activiteiten binnen een operationeel kader dat de eerbiediging van de mensenrechten bevordert. 

EITI

Het Extractive Industries Transparency Initiative (EITI) is een wereldwijde norm voor goed bestuur van olie-, gas- en minerale hulpbronnen. Tot de leden van het EITI behoren regeringen, het maatschappelijk middenveld, hetbedrijfsleven en institutionele beleggers. Het initiatief bevordert en faciliteert de transparantie van de inkomsten van overheden en bedrijven. Landen die zich bij het EITI aansluiten, moeten de betalingen die zij van de extractieve sectoren hebben ontvangen, publiceren en de bedrijven moeten publiceren wat zij aan de overheid betalen. België is een ondersteunende staat, geen uitvoerende staat. 

European Institute of Innovation and Technology Raw Materials

Het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) Grondstoffen verenigt academische en onderzoeksinstellingen en bedrijven uit de EU-landen. Zij werken samen aan het vinden van nieuwe, innovatieve oplossingen om de aanvoer van grondstoffen veilig te stellen en de sector in de gehele waardeketen te verbeteren. EIT Grondstoffen wil innovatie in de grondstoffensector bevorderen door kennis, informatie en expertise te delen. Ondernemers, starters en KMO's kunnen financiering en ondersteuning krijgen via het grote partnernetwerk en via samenwerkingsactiviteiten.

EPRM

Het Europees Partnerschap voor verantwoorde mineralen (EPRM) is een partnerschap tussen meerdere belanghebbenden, waarin het maatschappelijk middenveld, de regering en het bedrijfsleven zijn vertegenwoordigd. Het partnerschap heeft tot doel het aandeel van verantwoord ontgonnen mineralen uit conflictgebieden en gebieden met een hoog risico te verhogen en de maatschappelijk verantwoorde winning van mineralen te ondersteunen, wat bijdraagt aan de lokale ontwikkeling. De EPRM richt zich op tin, tantaal, wolfraam en goud.

Het EPRM stelt actoren uit de bevoorradingsketen in staat om vooruitgang te boeken op het gebied van verantwoorde winning van mineralen door bedrijven (met name KMO's) te ondersteunen bij het uitvoeren vangepaste zorgvuldigheid  en door een platform te creëren voor het delen van kennis, beste praktijken en geleerde lessen. 

Global Battery Alliance

De Global Battery Alliance is een publiek-private coalitie die zich richt op het katalyseren, versnellen en opschalen van acties naar een inclusieve, innovatieve en duurzame batterij waardeketen (inclusief ijzererts, lithium, kobalt, nikkel). Om dat doel te bereiken, streeft de Global Battery Alliance naar:

  • Zorgen voor de sociale en ecologische duurzaamheid van de waardeketen in overeenstemming met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG);
  • Ontgrendel innovatie in de gehele waardeketen van de batterij;
  • Ondersteuning van de ontwikkeling van beleidsbeginselen om de waardeketen van de batterij te benutten voor wereldwijde economische convergentie en inhaalbeweging. 
Certificeringsregelingen

Duurzaamheidsprogramma's voor minerale en metalen hulpbronnen zijn gericht op geselecteerde sociale, ecologische en economische grieven. De dekking van de toeleveringsketen verschilt per programma. Sommige richten zich op de mijnbouw- en verwerkingsfase (bijvoorbeeld de IRMA-certificering en de conflictvrije goudstandaard), de smelterij en de raffinaderij (bijvoorbeeld hetResponsible Minerals Assurance Process), of het stroomopwaartse gedeelte van de toeleveringsketen (bijvoorbeeld ITSCI en ICGLR). Andere bestrijken de gehele toeleveringsketen (bijvoorbeeld Fairmined, Fairtrade, Fairtrade, Responsible Jewellery Council, Better Coal, CERA en het Aluminium Stewardship Initiative). Fairtrade, Fairmined en de Responsible Jewellery Council kennen een productlabel toe op consumentenniveau. 

Alle mineralen hulpbronnen
Norm voor verantwoorde mijnbouw – IRMA Certification  

Het Initiative for Responsible Mining Assurance (IRMA) heeft tot doel een door verscheidene betrokkenen ondersteund en onafhankelijk verifieerbaar mijnbouw verzekeringssysteem op te zetten dat de sociale en milieuprestaties verbetert. De certificering wordt gebaseerd op de IRMA-norm voor verantwoorde mijnbouw (2018). Deze norm is ontworpen om het bereiken van vier overkoepelende principes te ondersteunen: bedrijfsintegriteit, sociale verantwoordelijkheid, milieuverantwoordelijkheid en het plannen en beheren van positieve legaten. 

CERA Norm

Het CERA EU-label wordt momenteel ontwikkeld. Het wil een gestandaardiseerd certificeringssysteem zijn dat zorgt voor ecologische, sociale en economische duurzaamheid bij de winning, verwerking, handel en productie van alle minerale grondstoffen, inclusief fossiele brandstoffen. Het CERA-label garandeert de traceerbaarheid van gecertificeerde materialen door gebruik te maken van een combinatie van traceerbaarheidstechnologieën, met inbegrip van methoden van bewijs van oorsprong in de hele waardeketen.

CERA wordt geïnitieerd en gefinancierd door het Europees Instituut voor innovatie en technologie. Het CERA-team bestaat uit universiteiten en onafhankelijke audit- en adviesbureaus.

 Goud, zilver en platina
Conflict vrije goud norm 

De World Gold Council heeft de conflict vrije goud norm (2012) ontwikkeld op basis van internationaal erkende criteria zoals de OESO-richtsnoeren. De norm voorziet in een gemeenschappelijke aanpak waarmee goudproducenten kunnen beoordelen en garanderen dat hun goud is gewonnen op een wijze die geen aanleiding, steun of voordeel oplevert voor onwettige gewapende conflicten, noch bijdraagt tot ernstige schendingen van de mensenrechten of schendingen van het internationale humanitaire recht. 

Fairtrade goud

Fairtrade Gold is een onafhankelijk gecertificeerd en gecontroleerd billijk handelssysteem voor goud, zilver en andere edele metalen van ambachtelijke kleinschalige mijnbouworganisaties. Fairtrade Gold is afkomstig van Fairtrade gecertificeerde mijnen die voldoen aan de Fairtrade standaarden (2013). Dit omvat voorwaarden om ervoor te zorgen dat de mensenrechten, de bescherming van het milieu en de gezondheids- en veiligheidseisen worden nageleefd en gehandhaafd. Mijnwerkers ontvangen een eerlijk loon en een Fairtrade Premium.

Fairmined

Fairmined is een garantie merk dat goud van ambachtelijke en kleinschalige mijnbouworganisaties certificeert. De Fairmined Standard (2014) voorziet in goud voor bedrijven die geëtiketteerde producten met strenge traceerbaarheids-eisen verkopen. Fairmined wordt ondersteund door een certificerings- en auditsysteem van een derde partij dat ervoor zorgt dat ambachtelijke en kleinschalige mijnbouworganisaties voldoen aan wereldwijd toonaangevende normen voor verantwoord handelen, het leveren van organisatorische en sociale ontwikkeling en milieubescherming. Het Fairmined initiatief is een initiatief van de Alliance for Responsible Mining, een non-profitorganisatie.

Diamanten, goud en platina

The Kimberley Proces certificering 

Het Kimberley proces, dat in 2000 werd opgericht met als doel de handel in zogenaamde "conflictdiamanten" uit te roeien, die ook welbekend zijn als "bloeddiamanten", is een bindende overeenkomst. Het praktische instrument dat van kracht is om deze verbintenis te operationaliseren is het Kimberley Process Certification Scheme (KPCS). Beide waarborgen de verzending van "ruwe diamant" en certificeren deze als conflictvrij. Het Kimberley-proces definieert conflictdiamanten als:"ruwe diamant gebruikt voor de financiering van oorlogen tegen regeringen over de hele wereld".

De Kimberley proces certificering biedt geen garantie tegen mogelijke mensenrechtenschendingen door overheden of de particuliere sector, schendingen van internationale of nationale arbeidswetten en -normen, of schendingen van milieuwetten en -normen. 

Het Kimberley proces is gestructureerd als een tripartiete organisatie, bestaande uit lidstaten, de diamantindustrie en het maatschappelijk middenveld. Terwijl de lidstaten ("deelnemers") mogen stemmen, hebben de industrie (vertegenwoordigd door de World Diamond Council) en het maatschappelijk middenveld (vertegenwoordigd door de Civil Society Coalition) de status van waarnemer. 

Volgens de voorwaarden van de Kimberley proces certificering moeten de deelnemers:

  • Voldoen aan de "minimumeisen", en nationale wetgeving, instellingen en invoer/uitvoercontroles opstellen;
  • zich inzetten voor transparante praktijken en de uitwisseling van kritische statistische gegevens;
  • alleen handel drijven met collega-leden die ook voldoen aan de basisprincipes van de overeenkomst;
  • Certificeren van zendingen als conflictvrij en zorgen voor de ondersteunende certificering.

Aangezien België deelnemer is aan het Kimberleyproces, is de invoer en uitvoer van ruwe diamant in België alleen toegestaan als de zending vergezeld gaat van een geldig Kimberleyprocescertificaat, afgegeven door een bevoegde nationale autoriteit.

Naast het certificeringssysteem hebben alle deelnemers aan de Kimberley proces certificering een systeem van garanties (2018) onderschreven, dat in 2002 door de diamantsector is ingevoerd om te voldoen aan de Kimberley proces certificering, deze te ondersteunen en te versterken. Het systeem biedt verkopers de mogelijkheid om bij hun facturen een garantie te voegen om aan te tonen dat de goederen voldoen aan de normen van het Kimberley-proces. Dit mechanisme kan ook worden gebruikt bij de verkoop van geslepen diamanten. Een juwelierkan de garantie gebruiken om aan te tonen dat de gekochte diamant niet betrokken was bij de financiering van conflicten en in overeenstemming is met de resoluties van de Verenigde Naties. De verkoper garandeert daarmee dat de diamanten conflictvrij zijn, gebaseerd op persoonlijke kennis en/of schriftelijke garanties van de leverancier van deze diamanten. De stroom van garanties moet worden gecontroleerd en gearchiveerd door het bedrijf.

Daarnaast heeft de diamantindustrie in het kader van het systeem van garanties een aantal niet-bindende beginselen van zelfregulering (2015) aangenomen. Niet-eerbiediging van deze beginselen kan leiden tot uitzetting uit sectorale organisaties, zoals de diamantbeurzen en belangenverenigingen. De principes omvatten:

  • alleen handelen met organisaties die garantieverklaringen op hun facturen vermelden;
  • geen diamanten kopen bij verdachte bronnen of onbekende leveranciers, of die afkomstig zijn uit landen die de Kimberley proces certificering niet hebben geïmplementeerd;
  • geen diamanten kopen van bronnen die, na een wettelijk bindende rechtsgeldige procedure, in strijd blijken te zijn met overheidsvoorschriften die de handel in conflictdiamanten beperken;
  • geen diamanten kopen in of uit een regio die onderworpen is aan een advies van een overheidsinstantie waaruit blijkt dat conflictdiamanten afkomstig zijn van of beschikbaar zijn voor verkoop in die regio, tenzij diamanten zijn uitgevoerd uit de regio in overeenstemming met de Kimberley proces certificering;
  • het niet bewust kopen, verkopen of bijstaan van anderen bij het kopen of verkopen van conflictdiamanten;
  • ervoor zorgen dat alle werknemers in de organisatie die diamanten kopen of verkopen binnen de diamanthandel goed geïnformeerd zijn over de handelsnormen en overheidsvoorschriften die de handel in conflictdiamanten beperken.
Responsible Jewellery Council

De Responsible Jewellery Council (RJC) is een standaardisatie- en certificeringsorganisatie. De leden bestrijken de gehele toeleveringsketen voor juwelen, van de mijnbouw tot de detailhandel. De leden verbinden zich tot en worden onafhankelijk doorgelicht in het kader van de Gedragscode van de Responsible Jewellery Council (RJC) voor diamanten, goud en de metalen uit de platina-groep. Certificering onder de RJC-code is verplicht voor alle commerciële leden van RJC binnen twee jaar na toetreding.

De RJC Chain of Custody Standard voor de toeleveringsketen van edele metalen is van toepassing op goud en de metalen uit de platina-groep (platina, palladium en rhodium). De Chain of Custody Standard (2017) vereist dat organisaties beschikken over beleids- en risico-beheersingskaders voor conflict-gevoelige inkooppraktijken, gebaseerd op de OESO-richtsnoeren

3T, goud en/ of kobalt
Internationale Conferentie van het gebied van de Grote Meren: Regionaal Certificeringsmechanisme

Het Regionale Certificeringsmechanisme is een van de zes instrumenten van het regionale initiatief, van de Internationale Conferentie van het gebied van de Grote Meren (ICGLR), ter bestrijding van de illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen. Het mechanisme richt zich op tin, tantaal, wolfraam en goud.

Het doel van het regionale certificeringsmechanisme is te zorgen voor duurzame, conflictvrije mineraalketens in en tussen de lidstaten van het ICGLR, met als doel de financiering van conflicten te elimineren. Het mechanisme omvat de volgende hoofdelementen: 

  • Inspectie en certificering van de mijnen, met de nadruk op de naleving van de aanbevelingen van de OESO inzake gepaste zorgvuldigheid; 
  • Minerale traceerbaarheidsketen; 
  • Minerale uitvoeren certificering; 
  • Minerale tracking database; 
  • doorlichtingendoor derden;
  • Onafhankelijke mineraalketen-auditor.
Verantwoord Mineralen Garantie Proces 

Het Responsible Minerals Initiative biedt een instrument, het Responsible Minerals Assurance Process (voorheen het Conflictvrij Smelterij Programma, CFSI), dat bedrijven en hun leveranciers een onafhankelijke doorlichting door een derde partij biedt. Dit bepaalt welke smelterijen en raffinaderijen kunnen worden gecontroleerd op de aanwezigheid van systemen om op verantwoorde wijze mineralen aan te kopen in overeenstemming met de huidige wereldwijde normen. De focus ligt op tantaal, tin, wolfraam, goud en kobalt smelterijen en raffinaderijen. 

Het Conflict mineralen rapporteringssjabloon helpt organisaties om informatie en communicatie over smelters in hun toeleveringsketens bekend te maken en te communiceren.

Aluminium
ASI-prestatienorm en Chain-of-Custody norm 

De Aluminium Stewardship Initiative (ASI) Performance Standard en de ASI Chain-of-Custody Standard zijn ontwikkeld voor toepassing op de wereldwijde aluminium waardeketen. De normen zijn bedoeld om de aluminiumindustrie in staat te stellen haar verantwoordelijkheid te tonen en onafhankelijke en geloofwaardige prestaties te waarborgen. 

De prestatienorm (2017) definieert principes en criteria op het gebied van milieu, maatschappij en bestuur, met als doel duurzaamheidskwesties in de aluminium waardeketen aan te pakken. De implementatie van de Gedragscode Norm (2017) (..../tool6/where) maakt het mogelijk een verband te leggen tussen de geverifieerde praktijken, onder de prestatienorm, in de opeenvolgende stappen van de toeleveringsketen en de producten die door ASI Certified Entities worden geproduceerd.

Steenkool
Bettercoal Code 

Bettercoal is opgericht om tegemoet te komen aan de behoefte van bedrijven om meer zekerheid te krijgen dat hun kolen afkomstig zijn van mijnen die op verantwoorde wijze werknemers, gemeenschappen en hun lokale omgeving beschermen. Het beoordeelt de prestaties van de steenkoolwinning in termen van de Bettercoal Code door middel van het Supplier Assessment Process. De Bettercoal Code (2018) beschrijft in detail de richtlijnen waarnaar mijnbouworganisaties kunnen verwijzen om hun eigen sociaal, milieu- en ethisch beleid te bepalen. 

Wapenhandel 

Verenigde Naties

Op internationaal niveau zijn er ettelijke verdragen ondertekend die een algeheel verbod opleggen op de produktie, gebruik, ontwikkeling, overdracht of opslag van chemische en biologische wapens, anti-persoonsmijnen en clusterbommen.

Het internationaal Wapenhandelsverdrag legt Staten gemeenschappelijke regels op bij de uitvoer van wapens ter bestrijding van de illegale wapenhandel.

De Staten die partij zijn bij deze verdragen moeten deze omzetten in nationaal recht.

De VN-Veiligheidsraad legt beperkende maatregelen op, waaronder wapenembargo's en financiële beperkingen, in de vorm van resoluties die bindend zijn voor de lidstaten. Sancties kunnen gericht zijn tegen statelijke actoren, niet-statelijke actoren of beiden. Ze kunnen worden toegepast op het gehele grondgebied van een staat, of op een specifieke regio van een bepaalde staat.

Voor de volgende landen en entiteiten geldt een wapenembargo:

(Belgische) organisaties mogen geen wapens of aanverwant materiaal direct of indirect leveren, verkopen of overdragen aan deze landen of entiteiten. Zij mogen geen bijstand, advies of opleiding in verband met militaire activiteiten, met inbegrip van financiering en financiële bijstand, verstrekken.

Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS)

Het Verdrag van de ECOWAS inzake kleine en lichte wapens, munitie en andere aanverwante materialen (2006) stelt een algemeen verbod in op de invoer, de uitvoer, de doorvoer, de overdracht aan en het bezit door burgers van kleine en lichte wapens en munitie. Uitzonderingen zijn toegestaan na raadpleging door de betreffende ECOWAS-lidstaat met het uitvoerend secretariaat van de ECOWAS. Een ECOWAS-uitzonderingscertificaat moet bij een aanvraag tot het verkrijgen van een uitvoervergunning in het land van uitvoer worden gevoegd. Wanneer een Belgische rechtspersoon voornemens is kleine en lichte wapens uit te voeren naar een lidstaat van de ECOWAS, moet een ECOWAS-uitzonderingscertificaat bij de uitvoeraanvraag op het passende Belgische regionale niveau worden gevoegd (Vlaanderen, Wallonië of Brussel).

Europese Unie

In het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Europese Unie worden gemeenschappelijke regels voor en controle op de uitvoer van militaire technologie en uitrusting vastgesteld. De uitvoer en doorvoer van goederen die worden genoemd in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen moeten worden getoetst aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt (artikel 2). Het doel ervan is de uitvoer van deze militaire goederen te voorkomen wanneer deze voor ongewenste doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals binnenlandse repressie of de verergering of verlenging van spanningen of gewapende conflicten. Het gemeenschappelijk standpunt is het minimumvereiste. Bij de omzetting ervan in nationaal recht kunnen de lidstaten strengere regels vaststellen.

De EU kan beperkende maatregelen nemen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op basis van artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (2007). Sancties kunnen worden toegepast op het gehele grondgebied van een staat, of op een specifieke regio van een bepaalde staat. De EU heeft de volgende wapenembargo's ingesteld:

  • Afghanistan (Taliban) (1996);
  • Al Qaeda en ISIL (1996);
  • Wit-Rusland (2011); 
  • Centraal-Afrikaanse Republiek (2013); 
  • China (1989);
  • Democratische Republiek Congo (1993); 
  • Iran (2007); 
  • Libië (2011); 
  • Myanmar (1991); 
  • Rusland (2014); 
  • Zuid-Soedan (2011); 
  • Soedan (1994); 
  • Somalië (2002); 
  • Syrië (2011); 
  • Jemen (2015);
  • Venezuela (2017);
  • Zimbabwe (2002).

Het is EU-organisaties niet toegestaan om direct of indirect wapens of aanverwant materiaal aan deze landen of entiteiten te leveren, te verkopen of over te dragen. Zij mogen geen bijstand, advies of opleiding in verband met militaire activiteiten, met inbegrip van financiering en financiële bijstand, verstrekken. Schepen of vliegtuigen onder Belgische vlag mogen ook niet worden gebruikt door deze gesanctioneerde landen. Sancties kunnen gericht zijn tegen particuliere organisaties, statelijke actoren of beide.

Goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing zijn verboden. Artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat een onvoorwaardelijk en algemeen verbod op foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Om deze grondrechten af te dwingen, heeft de EU beslist dat:

  • Verbod op uitvoer, invoer en technische bijstand met betrekking tot goederen die geen andere praktische toepassingen hebben dan de doodstraf of foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing EU-verordening 1236/2005 bijlage 2;
  • Vergunningen vereist voor de uitvoer, invoer en doorvoer van goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing EU-verordening 1236/2005 bijlage 2.

 De EU eist vergunningen voor producten voor tweeërlei gebruik. Dit zijn producten, met inbegrip van software en technologie, die worden gebruikt in de civiele industrie, maar ook militaire toepassingen kunnen hebben, waaronder de productie van massavernietigingswapens (nucleaire, biologische en chemische wapens en langeafstandsraketten). Verordening 428/2009 voorziet in een communautaire regeling van de EU voor de controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.

Organisaties hebben verplichte vergunningen nodig voor:

  • de uitvoer en doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik buiten de EU;
  • overdracht van goederen in bijlage IV van Verordening 428/2009 binnen de EU.

De Vlaamse, Waalse en Brusselse Hoofdstedelijke overheden kunnen vergunningen eisen voor bepaalde goederen die niet voorkomen in bijlage IV van de EU Verordening 428/2009.

België

De uitvoer, invoer en doorvoer van wapens en munitie en aanverwant materiaal in België zijn op regionaal niveau geregeld (Vlaanderen, Wallonië en Brussel). De federale regering is verantwoordelijk voor (1) de invoer, uitvoer en doorvoer van wapens en munitie en aanverwant materiaal voor het Belgische leger en de federale politie; en (2) de regelgeving inzake tussenhandel in wapens.

Federaal niveau

De wet van 18 september 2017 heeft tot doel het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen en het gebruik van contanten te beperken. Deze wet bestrijdt de financiering van illegale wapenhandel. De wet vereist dat financiële instellingen, beursvennootschappen, beheersvennootschappen en beleggingsmaatschappijen effectief beleid, procedures en interne controlemaatregelen ontwikkelen en toepassen.

Volgens de wet van 5 augustus 1991 is een vergunning van de minister van Justitie vereist voor elke Belg, of elke buitenlander die in België verblijft of vanuit België handel drijft, die als wapenmakelaar/tussenpersoon wil optreden. Deze regeling is extraterritoriaal, wat betekent dat ze van toepassing is op elke Belg die waar dan ook verblijft. De goederen hoeven niet door België te passeren om deze regel van toepassing te laten zijn.

Het Koninklijk Besluit van 8 maart 1993 (artikel 10) (1993) regelt de invoer, uitvoer en doorvoer van wapens, munitie en materiaal voor militair of wetshandhavingsdoeleinden, alsook de bijbehorende technologie. Zeeschepen moeten een reisschema indienen bij de douane voordat ze een Belgische haven verlaten, ongeacht de vlag waaronder ze varen. Elk luchtvaartschip, ongeacht zijn nationaliteit, moet ook een reisschema bij de douane indienen, met vermelding van alle havens van bestemming.

De productie, de handel, de aanleg van voorraden en het vervoer van de volgende producten is verboden:

  • blindmakende laserwapens;
  • inerte munitie en pantser dat verarmd uranium of ander industrieel uranium bevat;
  • antipersoneelsmijnen;
  • clustermunitie.

Er is ook een verbod op de financiering van elke onderneming naar Belgisch of buitenlands recht die zich bezighoudt met de productie, het gebruik, de reparatie, de verkoop, de handel, de distributie, de invoer of de uitvoer, de aanleg van voorraden of het vervoer ervan:

  • inerte munitie en harnassen die verarmd uranium of ander industrieel uranium bevatten;
  • antipersoneelsmijnen;
  • clustermunitie.
 Vlaanderen

Organisaties die geregistreerd zijn voor handelsactiviteiten in het Vlaamse Gewest hebben een verplichte vergunning nodig voor:

  • al het materiaal dat bestemd is om militaire acties te ondersteunen;
  • wetshandhavingsmateriaal;
  • civiele vuurwapens, onderdelen en munitie.

Dit is geregeld in het Besluit Wapenhandel (2012).

Organisaties die geregistreerd zijn voor handelsactiviteiten in Vlaanderen zijn verplicht om vergunningen te verkrijgen voor volgende zaken binnen de EU:

  • overdracht van defensie gerelateerde producten en ander materiaal dat geschikt is voor militair gebruik;
  • overdracht van wetshandhavingsmateriaal;
  • overdracht van civiele vuurwapens, onderdelen en munitie.

Organisaties zijn verplicht om vergunningen te verkrijgen voor de volgende zaken buiten de EU:

  • invoer, uitvoer en doorvoer van defensie gerelateerde producten en ander materiaal dat geschikt is voor militair gebruik;
  • invoer, uitvoer en doorvoer van wetshandhavingsmateriaal;
  • invoer, uitvoer en doorvoer van civiele vuurwapens, onderdelen en munitie.

Sinds 2003 heeft de Vlaamse regering de bevoegdheid om beperkende maatregelen te nemen, zoals het opleggen van een wapenembargo. In 2006 heeft de Vlaamse regering een wapenembargo opgelegd aan Israëlische militaire eindgebruikers en/of eindgebruik: geen uitvoer of doorvoer van goederen die de militaire capaciteit van de Israëlische defensiemacht kunnen vergroten, is toegestaan. Strategische goederen kunnen dus nog steeds naar Israël worden uitgevoerd als de uitvoerder kan aantonen dat (a) de goederen bestemd zijn voor wederuitvoer uit Israël; en (b) dat het eindgebruik buiten Israël zal plaatsvinden.

Wallonië

Rechtspersonen die geregistreerd zijn voor handelsactiviteiten in het Waalse Gewest hebben een verplichte vergunning nodig:

Dit is geregeld in het Waals decreet van 21 juni 2012 met betrekking tot de invoer, uitvoer, doorvoer en overdracht van civiele wapens en defensie gerelateerd materiaal.

Organisaties die geregistreerd zijn voor handelsactiviteiten in Wallonië moeten over vergunningen beschikken voor volgende zaken binnen de EU:

  • overdracht van defensie gerelateerd materiaal;
  • overdracht van wetshandhavingsmateriaal;
  • overdracht van civiele wapens.

Organisaties zijn verplicht om vergunningen te hebben voor de volgende zaken buiten de EU:

  • invoer, uitvoer en doorvoer van defensie gerelateerd materiaal;
  • invoer, uitvoer en doorvoer van wetshandhavingsmateriaal;
  • invoer, uitvoer en doorvoer van civiele vuurwapens.
Brussel

Organisaties die geregistreerd zijn voor handelsactiviteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben een verplichte vergunning nodig voor:

Organisaties die geregistreerd voor handelsactiviteiten in Brussel moeten in het bezit zijn van een vergunning voor volgende zaken binnen de EU:

  • overdracht van defensie gerelateerd materiaal;
  • overdracht van wetshandhavingsmateriaal;
  • overdracht van civiele vuurwapens.

Organisaties zijn verplicht om vergunningen te hebben voor de volgende zaken buiten de EU:

  • invoer, uitvoer en doorvoer van defensie gerelateerd materiaal;
  • invoer, uitvoer en doorvoer van wetshandhavingsmateriaal;
  • invoer, uitvoer en doorvoer van civiele vuurwapens.

Farmaceutische sector

Regelgevingskader voor de farmaceutische sector
Verenigde Naties

Verschillende VN-agentschappen hebben het recht op toegang tot geneesmiddelen gepromoot. De belangrijkste initiatieven worden hier opgesomd:

De mensenrechten richtsnoeren voor farmaceutische bedrijven met betrekking tot de toegang tot geneesmiddelen (2008)

De speciale rapporteur voor het recht van iedereen op het genot van de hoogst haalbare standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid heeft dit eerste rapport uitgebracht om farmaceutische bedrijven aan te moedigen de toegang tot essentiële geneesmiddelen te vergemakkelijken in overeenstemming met de millennium ontwikkelingsdoelstellingen (MDG's). Deze hadden betrekking op de plicht van farmaceutische bedrijven om "toegang te verschaffen tot betaalbare essentiële geneesmiddelen in ontwikkelingslanden". Dit is nu een doel van SDG 3, namelijk om "een gezond leven te garanderen en het welzijn van iedereen op alle leeftijden te bevorderen".

Het rapport van de speciale rapporteur over het recht van iedereen op het genot van de hoogst haalbare standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid (2013)

De speciale rapporteur voor het recht van iedereen op een zo hoog mogelijk niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid heeft een tweede rapport uitgebracht waarin de uitdagingen en goede praktijken met betrekking tot het recht op gezondheid (met name de toegang tot geneesmiddelen) werden herhaald. In dit verslag worden ook de belangrijkste elementen van deze rechten geïdentificeerd, namelijk beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid en kwaliteit. Met het oog hierop moedigt het verslag de lokale productie van geneesmiddelen, prijsregulering, geneesmiddelenlijsten, inkoop, distributie, rationeel en passend gebruik en kwaliteit van geneesmiddelen verder aan. De speciale rapporteur benadrukte de noodzaak van een rechtvaardige benadering van marktgerichte perspectieven voor de toegang tot geneesmiddelen.

Globale strategie en actieplan van de WHO inzake volksgezondheid, innovatie en intellectuele eigendom (GSPA-PHI) (2008)

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft deze mondiale strategie gelanceerd om een eerlijke bescherming van intellectuele eigendomsrechten (IER) te bevorderen. Dit op een manier die verenigbaar is met de eerbiediging, bescherming en naleving van het recht op toegang tot essentiële geneesmiddelen, en die garandeert dat iedereen het recht heeft om te profiteren van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling die relevant zijn voor ziekten die onevenredig veel arme bevolkingsgroepen treffen. De strategie bevordert in wezen onderzoek, innovatie, technologieoverdracht en lokale productie van medische producten, door te streven naar een evenwichtige bescherming van IER's en de verbetering van het volksgezondheidsbeleid.

Deze mondiale strategie is ook gericht op het wegnemen van belemmeringen om toegang te krijgen tot essentiële geneesmiddelen door het creëren van financieringsmechanismen voor duurzaam onderzoek en ontwikkeling en door het monitoren en evalueren van de uitvoering van de strategie, onder meer door middel van rapportagesystemen.

TRIPS, intellectuele eigendomsrechten en toegang tot geneesmiddelen (2017)

De afdeling Essential Medicines and Health Products (EMP) van de WHO heeft deze praktijkgids uitgebracht om betaalbare toegang tot kwalitatief hoogwaardige, veilige en effectieve medische producten te bevorderen. Ook werd getracht het inzicht van het nut van onderzoek en ontwikkeling te vergroten en de noodzaak om dit te doen op een manier die verenigbaar is met het recht op gezondheid en gelijkheid. 

Informatieportaal voor essentiële geneesmiddelen en gezondheidsproducten

Dit portaal van de WHO heeft tot doel het inzicht te vergroten over de noodzaak om de toegang tot essentiële geneesmiddelen en gezondheidsproducten te waarborgen. Het wordt ondersteund door het Amerikaanse Agency for International Development (USAID)-gefinancierde systemen voor betere toegang tot farmaceutische diensten (SIAPS), uitgevoerd door Management Sciences for Health (MSH). Deze database biedt toegang tot bronnen over verschillende onderwerpen, zoals de reeksen technische verslagen van de WHO, biologische standaardisatie, specificaties voor farmaceutische preparaten, geneesmiddelenafhankelijkheid en de selectie en het gebruik van essentiële geneesmiddelen.

 
VN Global Compact: Mensenrechten, toegang tot geneesmiddelen en de farmaceutische industrie (2011)

Het UN Global Compact heeft deze beste praktijkengids gepubliceerd om verantwoord zakendoen in lijn met de VN-doelstellingen te bevorderen. Dit verslag van de werkgroep mensenrechten (HRWG) gaat in op de noodzaak om de toegang tot geneesmiddelen te waarborgen, met name voor de armste bevolkingsgroepen.

De Wereldhandelsorganisatie (WTO)
De verklaring van Doha over de TRIPS-overeenkomst en volksgezondheid

Met deze verklaring werd beoogd het recht van ontwikkelingslanden te ondersteunen om de WTO-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) (1994) te gebruiken op een wijze die verenigbaar is met de WTO doelstellingen op het gebied van de volksgezondheid - zoals universele toegang tot geneesmiddelen - door staten toe te staan uitzonderingen op de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten toe te passen wanneer hun volksgezondheidsbehoeften onverenigbaar zijn met de algemene TRIPS-regeling. Deze verklaring was bedoeld om het inzicht te vergroten over de noodzaak om in specifieke omstandigheden, zoals in het geval van epidemieën, prioriteit te geven aan het recht op gezondheid, leven en gelijkheid.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)
OESO-project over de duurzaamheid van de toegang tot innovatieve therapieën (2016)

De OESO heeft dit project gelanceerd in het licht van de centrale rol die de farmaceutische sector speelt bij de verbetering van de levensverwachting en de levenskwaliteit door de productie van geneesmiddelen. Het project legt ook de nadruk op de ongelijke toegang tot essentiële geneesmiddelen en het gebrek aan universele toegang tegen betaalbare prijzen. Daarom acht de OESO het noodzakelijk de stimulansen, op het werk in de farmaceutische sector, en de duurzaamheid van de prijsstellingsmodellen te evalueren, met name voor nieuwe geneesmiddelen, meerbepaald geneesmiddelen tegen kanker of zeldzame ziekten.

Dit project bevordert ook de internationale dialoog op hoog niveau tussen belanghebbenden over de toegang tot innovatieve geneesmiddelen en de duurzaamheid van de geneesmiddelenuitgaven. Het initiatief werd door de lidstaten van de OESO en de ministers van Volksgezondheid onderschreven tijdens de bijeenkomst van de ministers van Volksgezondheid van de G7 in Kobe. Het uiteindelijke doel is het vinden van duurzame financiering voor onderzoek en ontwikkeling in de farmaceutische sector om een duurzame en billijke toegang tot innovatieve medische behandelingen te garanderen. Het project heeft ook tot doel een prospectieve studie uit te voeren om de duurzaamheid van de geneesmiddelenuitgaven te beoordelen en raadplegingen van belanghebbenden te organiseren.

De Raad van Europa (RvE)
De Europese Farmacopee

De Europese Farmacopee heeft tot doel de kwaliteitscontrole van geneesmiddelen in de lidstaten van de RvE die het Verdrag van de RvE inzake de samenstelling van een Europese Farmacopee (1964) hebben ondertekend te bevorderen en te controleren. De website bevat officiële normen voor een wettelijk en wetenschappelijk kader voor kwaliteitscontrole van farmaceutische producten. Zij bepalen de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling en de tests die moeten worden uitgevoerd op geneesmiddelen, de grondstoffen voor de productie van geneesmiddelen, en de synthese-tussenproducten. Farmaceutische bedrijven moeten aan deze normen voldoen om producten op het grondgebied van de ondertekenende staten te commercialiseren.

Het Protocol bij het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese Farmacopee (1989) omschrijft de bevoegdheden van de EU en haar lidstaten binnen de Europese Farmacopee Commissie.

Het uiteindelijke doel van de Europese Farmacopee is de volksgezondheid te bevorderen en de consument te beschermen door de kwaliteit van geneesmiddelen en hun bestanddelen te reguleren en te controleren. Het beoogt ook een veilig gebruik van geneesmiddelen dat verenigbaar is met het vrije verkeer van geneesmiddelen binnen het rechtsgebied van de RvE.

De website bevat ook een gids voor de werkzaamheden van de Europese Farmacopee, het reglement van orde van de Europese Farmacopee-commissie, de gedragscode voor de werkzaamheden van de Europese Farmacopee en de lijst van groepen deskundigen en werkgroepen (2016).

Europese Unie

Verschillende agentschappen van de EU hebben de bevoegdheid om gezondheidskwesties te reguleren en te controleren:

Ten eerste is de Europese Commissie - Department (DG) gezondheid en voedselveiligheid (SANTE) bevoegd voor het EU-beleid inzake voedselveiligheid en volksgezondheid overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De EU is echter niet bevoegd om het gezondheidsbeleid of de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en medische zorg te definiëren. Het heeft een aanvullende functie ten opzichte van het nationale beleid inzake volksgezondheidskwesties, dat ook betrekking heeft op de activiteiten van de farmaceutische sector.

Ten tweede is het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) bevoegd voor "de wetenschappelijke beoordeling van, het toezicht op en de veiligheidscontrole op geneesmiddelen in de EU". De gedragscode heeft tot doel conflicten of tegenstrijdige belangen tussen EMA-functionarissen en de gereguleerde sectoren (farmaceutische sector) te vermijden. Deze code is in overeenstemming met de EU-verordening die betrekking heeft op financiële of andere belangen in de farmaceutische industrie die een ongepaste invloed kunnen hebben op de transparantie en de plicht om in het algemeen belang te handelen. Het reguleert ook de geheimhoudingsplicht en discretie van de EMA-functionarissen.

De Europese Farmacopee van de RvE is ook verplicht in alle EU-lidstaten. Daarnaast heeft de EU een website met alle farmaceutische wetgeving voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

Ten derde is de deskundigengroep van de Commissie inzake veilige en tijdige toegang tot geneesmiddelen voor patiënten ("STAMP") opgericht om de Europese Commissie te adviseren over de tenuitvoerlegging van de geneesmiddelenwetgeving van de EU en de daarmee samenhangende programma's en beleidsmaatregelen. Deze groep van deskundigen is ook belast met de evaluatie van de vraag of het beleid in staat is om het EU-rechtskader doeltreffend ten uitvoer te leggen en een veilige en tijdige verstrekking van geneesmiddelen aan en beschikbaarheid van geneesmiddelen voor patiënten te garanderen.

België
Good Manufacturing Practices (GMP - goede fabricagepraktijken of goede manier van produceren) van geneesmiddelen) (2018)

Het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) heeft deze richtlijnen in het Frans en Engels gepubliceerd voor de nationale industrie. Deze richtsnoeren zijn bedoeld om de consument te beschermen en omvatten de normen van de Raad van Europa en de EU. Dit agentschap publiceert ook de nationale regelgeving voor de informatieverstrekking aan belanghebbenden.

Andere initiatieven

In dit hoofdstuk worden enkele initiatieven opgesomd, omdat ze nuttig kunnen zijn voor farmaceutische bedrijven die de feitelijke of potentiële negatieve gevolgen van hun activiteiten voor de mensenrechten willen evalueren.

pharma.be

Dit is de vereniging van organisaties uit de geneesmiddelensector die in België actief zijn. Het brengt meer dan130 farmaceutische bedrijven samen. Deze bedrijven richten zich op onderzoek en ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. De website biedt goede praktijken en informatie over het regelgevend kader - bijvoorbeeld over de regelgeving betreffende de transparantie van de informatie die door deze onderneming aan de gebruikers (artsen) wordt verstrekt. Het geeft ook informatie over Mdeon, het deontologisch platform voor zorgverleners, informatie over de toegelaten commercialisering van geneesmiddelen en andere nuttige informatie zoals Betransparent.be & Sunshine Act: de deontologische code van pharma.be en andere internationale deontologische codes.

Toegang tot de geneesmiddelen index

De Access to Medicine Foundation in Nederland heeft als doel farmaceutische bedrijven aan te moedigen en te begeleiden bij het toegankelijk maken van geneesmiddelen voor kwetsbare bevolkingsgroepen in arme landen. Deze stichting heeft een index samengesteld dankzij financiering van de Bill & Melinda Gates Foundation en de Britse en Nederlandse overheid. De index is ontworpen om bedrijven te een maatstaf aan te bieden om best practices en voortgangslacunes te identificeren. Op deze manier wordt de actie van de farmaceutische industrie ter verbetering van de toegang tot geneesmiddelen, met name in ontwikkelingslanden, expliciet gemaakt.

De Europese alliantie voor de volksgezondheid (EPHA)

Deze NGO is een multi-stakeholder initiatief van NGO's op het gebied van volksgezondheid, patiëntengroepen, gezondheidswerkers en ziektegroepen. Het is in het leven geroepen om te pleiten voor gezondheidsrechten in Europa. Haar belangrijkste taak is het bevorderen van het gezondheidsbeleid van de EU en andere meer gerichte campagnes, zoals universele toegang tot geneesmiddelen, handel in gezondheid, handel in voedsel, drank en landbouw, schone lucht, kwetsbare bevolkingsgroepen, enz. De website biedt verschillende bronnen over deze onderwerpen.

Het Deense Instituut voor Mensenrechten

Dit instituut heeft de Pharmaceutical Human Rights Assessment for Pharmaceutical Corporations (HRAPC) in het leven geroepen. De beoordeling is specifiek voor deze sector en is gericht op de specifieke uitdagingen op het gebied van de mensenrechten. Het heeft voornamelijk betrekking op indicatoren voor de beoordeling van het effect op de mensenrechten van onder meer klinische proeven, marketingpraktijken en productveiligheid.

Relevante kwesties voor waardeketens in de farmaceutische sector

Naast algemene richtsnoeren inzake werkgelegenheid en milieubescherming moet deze sector bijzondere aandacht besteden aan activiteiten in verband met onderzoek en ontwikkeling. Drie punten worden hier genoemd.

Deelname van kwetsbare bevolkingsgroepen aan klinische proeven

De NGO SOMO lanceerde het rapport Bescherming van deelnemers aan klinische proeven in landen buiten de EU (2011) om het bewustzijn te vergroten over klinische proeven voor geneesmiddelen die in de EU worden gebruikt, aangezien deze in toenemende mate zijn uitbesteed, met name naar lage- en middeninkomenslanden. Veel ingehuurde deelnemers zijn afkomstig uit kwetsbare bevolkingsgroepen met beperkte toegang tot gezondheidszorg en worden niet beschermd door nationale regelgevende instanties en ethische comités.

Op verzoek van de NGO Wemos en enkele parlementsleden heeft het Europees Parlement in 2018 een amendement goedgekeurd om het Europees Geneesmiddelenbureau te verzoeken verslag uit te brengen over de wijze waarop het de deelnemers aan klinische proeven beschermt en hoe proeven worden uitgevoerd in overeenstemming met ethische richtsnoeren. Het nieuwe element is dat dit agentschap niet alleen moet voldoen aan de verplichting van het EMA om proefpersonen van klinische proeven te beschermen, maar dat het nu ook verslag moet uitbrengen aan het Europees Parlement.

De Verklaring van de World Medical Association (WMA) van Helsinki - Ethical Principles for Medical Research Involving Human Subjects (2013) bevordert ook ethische principes voor medisch onderzoek met proefpersonen. Deze verklaring moedigt de goedkeuring door alle medische onderzoekers ervan aan. Het is in overeenstemming met de Internationale Code van Medische Ethiek. In het algemeen moeten onderzoekers de gezondheid, het welzijn en de rechten van alle patiënten, met inbegrip van personen die betrokken zijn bij klinische proeven, bevorderen en waarborgen. Daarnaast moeten farmaceutische bedrijven transparant zijn en hun toeleveringsketens op verantwoorde wijze beheren. Dit omvat de vrijwillige deelname aan proeven en de mogelijkheid om na de proef toegang te krijgen tot de behandeling.

De NGO SOMO lanceerde ook het rapport Putting Contract Research Organisations on the Radar (2011) om het bewustzijn te vergroten over de werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor de mensenrechten in de waardeketens van farmaceutische organisaties wanneer zij contractonderzoeksorganisaties (CRO's) uitbesteden.

Naast deze klinische proeven moeten onderzoekers ook transparant zijn over de financiering en de sponsors van het uitgevoerde onderzoek en de resultaten ervan.

Billijk gebruik van genetische hulpbronnen

De farmaceutische sector moet zich ook bewust zijn van de internationale bescherming van genetische hulpbronnen, waaronder strenge regels voor het gebruik ervan voor onderzoek en ontwikkeling en het daarmee samenhangende commerciële gebruik.

Het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) (1992) erkent de soevereine rechten van staten op genetische hulpbronnen op hun grondgebied en bevordert het gebruik ervan met respect voor het milieu. De voordelen van het gebruik ervan moeten worden gedeeld met het land waar de middelen zijn gevonden. Dit mechanisme staat bekend als het beginsel van toegang en batenverdeling, ofwel ABS.

Het Nagoyaprotocol betreffende de toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan (van kracht sinds 2014) regelt verder het gebruik van deze genetische hulpbronnen en de daarmee samenhangende traditionele kennis. Het regelt ook hoe ABS, door de staten die partij zijn bij het verdrag, ten uitvoer moet worden gelegd.

De EU heeft ook een verordening aangenomen betreffende nalevingsmaatregelen voor gebruikers van het Nagoya-protocol inzake de toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan in de Unie. Deze verordening heeft tot doel het vertrouwen tussen de staten die partij zijn bij het Nagoya-protocol en de belanghebbenden - zoals lokale gemeenschappen - die kunnen profiteren van ABS van genetische hulpbronnen, te vergroten. Het erkent ook het belang van genetische hulpbronnen voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen en voor de voedselzekerheid.

Deze EU-verordening is ook in overeenstemming met het Internationaal Verdrag inzake plantaardig-genetische hulpbronnen voor voeding en landbouw (ITPGRFA) (2001), waarin ook de rechten van landbouwers op de diversiteit van gewassen worden erkend. Het is de bedoeling een wereldwijd systeem op te zetten om landbouwers, plantenveredelaars en wetenschappers toegang te verschaffen tot plantaardig-genetisch materiaal en ervoor te zorgen dat de ontvangers de voordelen delen met de landen waar de genetische hulpbronnen vandaan komen.

De Universiteit van de Verenigde Naties heeft verder een overzicht van modelcontractbepalingen, gedragscodes, richtsnoeren, beste praktijken en normen gepubliceerd om gebruikers in het ABS-systeem te begeleiden.

Het ABS Clearing-House (ABSCH) is een online platform van het VBD dat belanghebbenden informeert over de nationale tenuitvoerlegging van het ABS-systeem van het Nagoya-protocol en het clearing-house mechanisme van het VBD. Dit is met name relevant voor de waardeketens van organisaties die met genetische hulpbronnen en hun derivaten werken. Het streeft er ook naar om aanbieders en gebruikers van genetische hulpbronnen en de daarmee samenhangende traditionele kennis met elkaar in contact te brengen.

Transport

Regelgevingskader voor de transportsector
Internationaal niveau

Om ongelukken voor mens en milieu te voorkomen, zijn er regels en voorschriften opgelegd voor het vervoer, de opslag en de behandeling van gevaarlijke goederen. De Verenigde Naties hebben instrumenten ontwikkeld om deze regelgevende systemen te harmoniseren: 

De UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods - Model Regulations and the Globally Harmonized System of Classification and Labelling of Chemicals. Voor elke vervoerswijze worden overeenkomstige regels en voorschriften ontwikkeld op basis van de VN-modelvoorschriften. 

Het Globally Harmonized System of Classification and Labelling of Chemicals (GHS), beheerd door de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE), classificeert gevaarlijke goederen in negen categorieën op basis van het soort gevaar en stelt daarom etiketten voor die gemakkelijk te identificeren zijn. De categorie bepaalt onder andere welke goederen kunnen worden vervoerd, de wijze van vervoer, de wijze van verpakken en de wijze van behandeling.

Land

Om veiligheidsredenen is het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor en over de binnenwateren geregeld in internationale verdragen. 

Verenigde Naties

UNECE beheert verschillende regionale overeenkomsten met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) en de binnenwateren (ADN). In de praktijk kan elke Staat wereldwijd toetreden tot de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) en waterwegen (ADN). 

OTIF

De Intergovernmental Organisation for International Carriage by Rail (OTIF) heeft uniforme regels ontwikkeld voor het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, het vervoer van personen en goederen en technische bepalingen voor rollend materieel. Het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen is opgenomen in het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer. Het verdrag is van toepassing in Europa, de Maghreb en het Midden-Oosten.

Lucht

Verenigde Naties

Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (1944) lag aan de basis van de International Civil Aviation Organisation, een gespecialiseerd agentschap van de Verenigde Naties. Het verdrag bevat beginselen voor een veilige en ordelijke internationale burgerluchtvaart. Internationale luchtvervoersdiensten kunnen worden opgericht op basis van gelijke kansen en moeten op een gezonde en economische manier functioneren. Alleen civiele vluchten die zijn toegestaan door een staat die partij is of civiele vluchten die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het verdrag zijn toegestaan. Het Verdrag verbiedt het vervoer van "oorlogsmunitie of -werktuigen" op of boven het grondgebied van een staat in een luchtvaartuig dat in het internationaal luchtverkeer wordt gebruikt, behoudens toestemming van die staat.

Het verdrag wordt aangevuld met 18 bijlagen, waarvan een beperkt aantal relevant is voor de mensenrechten:

  • Bijlage 2: Regels van de lucht
  • Bijlage 16: Milieubescherming, deel I, Vliegtuiglawaai
  • Bijlage 16: Milieubescherming, deel II, Emissies van vliegtuigmotoren
  • Bijlage 17: Veiligheid
  • Bijlage 18: Veilig vervoer van gevaarlijke goederen door de lucht. Bijlage 18 vormt de basis voor de Technische Instructies voor het veilig vervoer van gevaarlijke goederen door de lucht van de ICAO. Het heeft tot doel een zodanig veiligheidsniveau te bieden dat gevaarlijke goederen kunnen worden vervoerd zonder een vliegtuig, de inzittenden of de omgeving in gevaar te brengen.
Water

Verenigde Naties

Verschillende kernverdragen regelen de interactie tussen staten en organisaties op zee, de verplichtingen van organisaties om vervuiling van het mariene milieu te voorkomen en de veiligheid van zeevarenden en zeelieden.

Het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS) definieert de rechten en verantwoordelijkheden van staten met betrekking tot het oceaangebruik en de soevereiniteit. Ieder schip van welke Staatdan ook heeft de plicht om bijstand te verlenen aan iedere persoon die op zee in levensnood verkeert. Dit heeft gevolgen voor rederijen die actief zijn in wateren met een hoge aanwezigheid van bootvluchtelingen.

Internationale Maritieme Organisatie

De International Maritime Organization heeft internationale aanvaringsregels en wereldwijde normen voor zeevarenden, alsmede internationale verdragen en codes met betrekking tot opsporing en redding, het vergemakkelijken van het internationale maritieme verkeer en het vervoer van gevaarlijke goederen ontwikkeld en aangenomen. Dit is een gespecialiseerd agentschap van de VN is de IMO verantwoordelijk voor de veiligheid en beveiliging van de scheepvaart en de preventie van mariene verontreiniging door schepen. De IMO heeft ook een breed scala aan maatregelen vastgesteld om door schepen veroorzaakte verontreiniging te voorkomen en te beheersen en om de gevolgen van eventuele schade als gevolg van maritieme activiteiten en ongevallen te beperken. 

Het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL) (1973). Dit is het belangrijkste internationale verdrag ter voorkoming van verontreiniging van het mariene milieu. Het verdrag bevat voorschriften ter voorkoming en minimalisering van verontreiniging door schepen, zowel door ongevallen als door routinematige werkzaamheden. In de bijlagen zijn speciale zones met strenge controles op operationele lozingen opgenomen. 

Het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS) (1974) is een van de belangrijkste verdragen betreffende de veiligheid van koopvaardijschepen. Het regelt de veiligheid van de bemanning en de passagiers. Het omvat ook de International Maritime Dangerous Goods Code (2004) die het vervoer van gevaarlijke goederen over zee regelt. Sinds 2008 moeten alle vrachtschepen van meer dan 300 ton, passagiersschepen en mobiele offshore booreenheden een Long-Range Identification and Tracking (LRIT) systeem installeren. Vaartuigen moeten hun positie ook ten minste 4 keer per dag aan de vlaggenstaat meedelen en "op verzoek" zelfs om de 15 minuten. LRIT is een aanvulling op het kustvaartvolgsysteem dat bekend staat als het automatische identificatiesysteem (AIS). AIS verzendt automatisch de positie en identificatie van het schip naar kuststations en nabijgelegen schepen om aanvaringen te voorkomen.

Internationale Arbeidsorganisatie

De IAO heeft veel specifieke veiligheids-, beveiligings-, milieu- en arbeidsregels voor zeevarenden, binnenvaartpersoneel, vissers en havenarbeiders vastgesteld, evenals regels voor werk- en rusttijden voor vrachtwagenchauffeurs. Onderstaande lijst is een selectie van de IAO-regels die door België zijn geratificeerd. 

IAO-voorschriften ter bescherming van havenarbeiders:

De IAO-regelgeving ter bescherming van zeevarenden bevat algemene bepalingen ter bescherming van de grondrechten en stelt minimumnormen vast:

Een aantal meer specifieke verordeningen heeft betrekking op kwetsbare groepen en arbeidsomstandigheden op zee:

Algemene arbeidsvoorwaarden:

Veiligheid, gezondheid en welzijn: 

Zekerheid van de werkgelegenheid:

De IAO heeft ook gedragscodes en richtsnoeren ontwikkeld. De volgende punten zijn relevant vanuit het oogpunt van de mensenrechten:

 

Europese Unie

In dit hoofdstuk worden de binnen de Europese Unie geldende voorschriften besproken die van toepassing zijn op de volgende vervoerswijzen: vervoer over land (weg, spoor, binnenwateren), door de lucht en over zee (lange vaart, korte vaart). Binnenwateren worden gedefinieerd als de wateren aan de landzijde van de basislijnen van de territoriale zee van de kuststaat, en vallen daarom onder de paragrafen met betrekking tot "land".

Land

Voor het weg- en spoorvervoer binnen de EU voorziet de EU bindende regels voor organisaties op het gebied van werktijden, sociale rechten en bescherming van passagiersrechten. Een overzicht van relevante regelgeving is terug te vinden in de rubriek "Waar?"

Het vervoer van gevaarlijke goederen over land wordt gereguleerd door de Richtlijn die gemeenschappelijke regels vaststelt voor het veilig en beveiligd vervoer van gevaarlijke goederen binnen en tussen EU-landen over de weg, per spoor of over de binnenwateren. Ook aspecten als laden en lossen, de overstap van en naar een andere vervoerswijze en de haltes tijdens het vervoersproces komen aan bod. Het breidt de toepassing van internationale regels uit tot nationaal vervoer van gevaarlijke goederen. 

Lucht

Voor het luchtvervoer zijn belangrijke kwesties de veiligheid van het vliegtuig, de passagiers en het personeel (veiligheid in de lucht), bedreigingen van de veiligheid door onwettige handelingen zoals terrorisme en criminaliteit (luchtvaartbeveiliging), en het recht op privacy voor de passagiers.

Veiligheid in de lucht

De basisregels voor de veiligheid van de luchtvaart en de bescherming van het milieu zijn vastgelegd in de gemeenschappelijke regels van de Verordening met betrekking tot het ontwerp, de productie, het onderhoud en de exploitatie van vliegtuigen en hun motoren, propellers en onderdelen, alsmede de verlening van luchtverkeersbeheer en luchtvaart navigatiediensten.

Deze verordening wordt aangevuld met meer specifieke verordeningen tot vaststelling van technische specificaties voor de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en hun onderdelen; milieucertificaten (met inbegrip van geluidsniveaus, uitlaatniveaus); regels en procedures voor de afgifte, handhaving, wijziging, beperking, beperking, opschorting of intrekking van vergunningen, voorrechten en verantwoordelijkheden van de houders van de goedkeuringen; en vergunningen, regels en procedures voor het onderhoud van producten, onderdelen enz:

  • Initiële luchtwaardigheid: Verordening stelt uitvoeringsvoorschriften vast voor de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties.
  • Bijkomende luchtwaardigheid: Verordening bevat aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties voor de exploitatie van grote vliegtuigen die in het commerciële luchtvervoer worden gebruikt.
  • Permanente luchtwaardigheid: Verordening bevat regels voor de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en voor de goedkeuring van bij deze taken betrokken organisaties en personeel.
  • Luchtvaartactiviteiten: Verordening stelt technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot luchtvaartactiviteiten vast.
  • Exploitanten uit derde landen: Verordening stelt technische eisen en administratieve procedures vast met betrekking tot luchtvaartactiviteiten van exploitanten uit derde landen.

Luchtvaartbeveiliging

De gemeenschappelijke basisregels voor de beveiliging van de luchtvaart zijn vastgesteld in de Verordening inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart. Deze verordening stelt gemeenschappelijke regels vast om de burgerluchtvaart te beschermen tegen wederrechtelijke daden die de veiligheid in gevaar brengen. Zij is van toepassing op alle luchthavens, exploitanten (met inbegrip van luchtvaartmaatschappijen) en alle entiteiten die opereren vanuit locaties binnen of buiten luchthavens die goederen en/of diensten aan of via luchthavens leveren.

Reizigersrechten

Alle passagiers genieten bescherming als consument, ongeacht hun manier van reizen. Passagiersrechten voor luchtvervoer zijn vastgelegd in de Verordening, waarin de verplichtingen voor luchtvaartmaatschappijen en de minimumrechten voor passagiers worden vastgesteld: (a) passagiers tegen hun wil de toegang tot een vlucht wordt geweigerd; (b) een vlucht wordt geannuleerd; of (c) een vlucht wordt vertraagd. 

Deze verordening wordt aangevuld met interpretatie richtsnoeren. Daarin worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor compensatie en bijstand aan passagiers in geval van instapweigering, annulering of langdurige vertraging van vluchten, alsmede voor de aansprakelijkheid van luchtvaartmaatschappijen bij ongevallen.

Water

Voor het vervoer op zee zijn de belangrijkste mensenrechtenkwesties de veiligheid van het schip, de passagiers en het personeel (maritieme veiligheid), het risico van milieuschade als gevolg van vervuiling, de gevolgen voor de biodiversiteit en de middelen van bestaan van de mens (milieubescherming), de werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden van het personeel op zee.

 

Maritieme veiligheid

De EU-richtlijn tot instelling van een monitoring- en informatiesysteem voor de zeevaart heeft tot doel de veiligheid en efficiëntie van het zeeverkeer in de wateren en kusten van de EU te verbeteren. Kapiteins, exploitanten of agenten van schepen, alsmede overladers of eigenaars van gevaarlijke of verontreinigende goederen die aan boord van dergelijke schepen worden vervoerd, moeten voldoen aan de eisen van deze richtlijn. Een van die maatregelen is de voorafgaande kennisgeving van de aankomst van gevaarlijke goederen voordat zij de havens van de lidstaten binnenkomen.

De EU-verordening betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen, definieert de rechten van passagiers die binnen de EU reizen. De EU-verordening betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen regelt het vervoer van passagiers en hun bagage. De richtlijn betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeevaart voorziet in een systeem voor de monitoring van de Europese wateren en kusten. Het heeft tot doel de veiligheid op zee, de veiligheid in havens en op zee, de bescherming van het milieu en de paraatheid ten aanzien van verontreiniging te verbeteren. 

Bescherming van het milieu

De EU heeft richtlijnen aangenomen om een einde te maken aan verontreiniging vanaf schepen en het mariene milieu beter te beschermen tegen verontreiniging door schepen. De richtlijn inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken is van toepassing op lozingen van verontreinigende stoffen vanaf elk schip, ongeacht de vlag waaronder het vaart, in de binnenwateren van de EU, in de territoriale wateren van een lidstaat, in zeestraten of op volle zee. Deze richtlijn heeft betrekking op de niet-naleving van de MARPOL-normen en voert sancties in voor verontreinigingsdelicten. De MARPOL-normen beperken de lozing van schadelijke vloeistoffen om vervuiling door afval van machinekamerafval, het schoonmaken van laadruimten en tanks, riolering en andere schadelijke stoffen te voorkomen.

De richtlijn betreffende maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen heeft tot doel de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake maritieme veiligheid, voorkoming van verontreiniging door schepen en de leef- en werkomstandigheden aan boord van schepen te verbeteren. 

Werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden

De EU heeft verschillende richtlijnen aangenomen om de arbeidsomstandigheden van zeevarenden te beschermen en te verbeteren. De belangrijkste zijn de richtlijn betreffende de werktijden van zeevarenden aan boord van schepen en de richtlijn van de Raad betreffende de arbeidstijd-voorschriften voor zeevarenden, met inbegrip van de werktijden, rusttijden, betaald verlof en geschiktheid voor het werk. 

België
Land

De Federale Overheidsdienst voor Mobiliteit biedt een algemeen overzicht van de wet- en regelgeving met betrekking tot het weg- en spoorvervoer

De belangrijkste mensenrechtenkwesties in deze sector hebben betrekking op de arbeidsomstandigheden en het vervoer van gevaarlijke goederen. De nationale wetgeving regelt de erkenningsvoorwaarden voor wegvervoerorganisaties. Ze sanctioneert organisaties voor overtredingen van de arbeidsnormen en voorschriften inzake veilige opslag, vervoer van gevaarlijke goederen en rusttijden voor chauffeurs. Een overzicht van de relevante nationale regelgeving is te vinden in de rubriek "Waar?" sectie. 

Lucht

De Federale Overheidsdienst Mobiliteit biedt een algemeen overzicht van de wetten en regels met betrekking tot het luchtvervoer.  

De belangrijkste mensenrechtenkwesties voor het luchtvervoer zijn de veiligheid van vliegtuigen, passagiers en bemanning, de arbeidsomstandigheden van het personeel en het recht op privacy van de passagiers. De wet van 27 juni 1937 bepaalt dat de regels en voorschriften voor de luchtvaartnavigatie in het Belgische luchtruim bij Koninklijk Besluit worden uitgevaardigd. De wet verbiedt het ongeoorloofd vervoer van wapens, munitie en explosieven aan boord van een vliegtuig of naar een luchthaven. De aanvullende decreten bepalen dat alleen geregistreerde vliegtuigen met geldige exploitatiecertificaten het Belgische luchtruim mogen binnenkomen. De besluiten regelen welke gevaarlijke goederen door de lucht mogen worden vervoerd en hoe dit kan gebeuren, alsmede de aansprakelijkheid van de vervoerder voor het vervoer van personen en goederen. Een overzicht van de relevante nationale regelgeving is te vinden in de rubriek "Waar?".

Water

De Federale Overheidsdienst Mobiliteit biedt een algemeen overzicht van de wet- en regelgeving met betrekking tot het zeevervoer.

De belangrijkste mensenrechtenkwesties voor het zeevervoer zijn de veiligheid van schepen, passagiers en personeel, en de sociale, veiligheids- en arbeidsomstandigheden van maritiem personeel. Een overzicht van de relevante nationale regelgeving is te vinden in de rubriek "Waar?" (gereedschap6/waar) sectie.

Initiatieven van de industrie

Dit deel geeft een selectie van initiatieven van de industrie die tot doel hebben organisaties te helpen bij de naleving van de mensenrechten in de transportsector door middel van richtlijnen en normen.

Clean Cargo Working Group

De Clean Cargo Working Group maakt deel uit van de 'Business for Social Responsibility', een non-profit organisatie opgericht door multinationals. De werkgroep is een initiatief van vrachtvervoerders, expediteurs en grote merken. Het heeft tot doel de milieu-impact van het wereldwijde goederenvervoer te verminderen en duurzame scheepvaart te bevorderen. De Clean Cargo Working Group richt zich vooral op het meten van en rapporteren over de uitstoot van koolstofdioxide door zeeschepen. 

Maritime Anti-Corruption Network

Het Maritime Anti-Corruption Network verbindt zijn leden ertoe zeven anticorruptieprincipes te implementeren als onderdeel van een algemeen nalevingsprogramma. Deze principes zijn: 

  • Eisen van het nalevingsprogramma
  • Evenredige procedures
  • Risicobeoordeling
  • Opleiding en communicatie
  • Toezicht en interne controles
  • Rapportage, discipline en stimulansen
  • Due diligence
International Transport Workers' Federation

Het International Transport Workers' Federation (ITF) Flags of Convenience Campagne eist een echte link tussen de vlag van een schip en de nationaliteit of verblijfplaats van de eigenaars, managers en zeevarenden, om reders verantwoordelijk te houden voor de bescherming van de rechten van zeevarenden. 

IMPA ACT

IMPA ACT is het verantwoordelijke platform voor het beheer van de toeleveringsketen en maatschappelijk verantwoord ondernemen voor de internationale scheepvaart en maritieme industrie, opgericht door de International Marine Purchasing Association (IMPA). De leden van IMPA ACT verbinden zich tot de IMPA ACT-gedragscode voor leveranciers. De gedragscode voor leveranciers is een reeks sociale, ecologische en economische principes die gebaseerd zijn op internationaal onderschreven VN-verwachtingen voor organisaties. De Gedragscode is een weergave van de huidige beste praktijken.

Duurzaamheidsprogramma voor wereldhavens

Het World Ports Sustainability Program (WPSP) is een verbintenis van grote wereldhavens om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Havens doen dit door de duurzaamheid van toeleveringsketens te beïnvloeden, rekening houdend met lokale omstandigheden en verschillende havenbeheersstructuren. De havens zoeken actief naar samenwerking tussen schepen ter ondersteuning van maatregelen om de emissies van schepen in de lucht te verminderen. Een project binnen WPSP is de Environmental Ship Index (ESI). De index identificeert zeeschepen die beter presteren in het verminderen van luchtemissies dan de huidige normen van de Internationale Maritieme Organisatie. Om het gebruik van groenere schepen te bevorderen, beloont de Haven van Antwerpen schepen met een hoge ESI-score met een tariefverlaging. 

Het WPSP-handvest (2018), dat tot doel heeft de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, onderschrijft alle 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) en verbindt zich ertoe daaraan bij te dragen. De staten die partij zijn bij het WPSP-handvest verbinden zich tot: het opzetten en onderhouden van een wereldwijde bibliotheek van best practices; het aanbieden van een portaal voor projecten en initiatieven van internationale havengerelateerde organisaties die zich als partners bij het programma hebben aangesloten; het functioneren als denktank en kweekvijver voor nieuwe samenwerkingsprojecten; en het regelmatig rapporteren over de duurzaamheidsprestaties van de wereldwijde havensector. De vijf kernthema's met betrekking tot de SDG's zijn veerkrachtige infrastructuur, klimaat en energie, community outreach en dialoog tussen haven en stad, veiligheid en beveiliging, en goed bestuur en ethiek.

Het methodologisch kader

De voortrekkersrol van de staat

Tool 6 kan organisaties helpen negatieve gevolgen voor mensenrechten te voorkomen. Het is de verantwoordelijkheid van de staat om te zorgen dat organisaties mensenrechten respecteren in hun activiteiten en zakelijke relaties (zie ook Tool 2 over staatsverantwoordelijkheid zoals gedefinieerd door de UNGP). Staten moeten daarom verwachte uitkomsten en goede praktijken promoten en het gebruik van de juiste methoden voor het aanpakken van kwesties als kwetsbaarheid aanmoedigen.

Het kan zijn dat organisaties verder moeten gaan dan de bindende regels rond mensenrechten om negatieve gevolgen voor mensenrechten te voorkomen. Tool 6 identificeert daarom specifieke omstandigheden waarin organisaties ‘wellicht aanvullende normen moeten overwegen’ (UNGP, Principe 12) voor het respecteren van mensenrechten, vooral als het gaat om personen die tot kwetsbare groepen behoren.

Waarom opteren voor een sectorbenadering?

Hoewel elke organisatie, ‘ongeacht de omvang, sector, operationele context, eigendom en structuur ervan’, alle mensenrechten moet respecteren, geven de UNGP ook voldoende redenen om te opteren voor de sectorbenadering:

  • De UNGP stellen (in Principe 24) dat organisaties de relevantste rechten die risico lopen moeten identificeren en de ernstigste risico’s, die rechtstreeks aan het type activiteit in kwestie zijn gerelateerd, moeten voorkomen en verminderen.  
  • De UNGP wijzen erop (in Principes 12 en 24) dat factoren als sector, operationele context, eigendom, de omvang en structuur van de organisatie e.d., een significante impact hebben op de manier waarop organisaties hun plichten nakomen.
  • De Interpretive Guide van de UNGP benadrukt dat de sector en de operationele context van een organisatie ‘bepalen welke mensenrechten het grootste risico lopen een impact te hebben op het normale verloop van haar bedrijfsactiviteiten’.

Verder is Tool 6 een aanvulling op Tool 5. Dit instrument biedt een overzicht van de multi-stakeholder- initiatieven die door België zijn ondertekend of worden gepromoot door internationale organisaties waarvan België lidstaat is. De UNGP stimuleren (in Principe 10) staten tot het promoten van ‘collectieve actie om bedrijven te sturen in de eerbiediging van mensenrechten’ als ze optreden ‘als leden van multilaterale instellingen die omgaan met zakelijke kwesties’. Multi-stakeholderinitiatieven zijn een goed middel tot dat doel.

De sectoren die in Tool 5 aan bod komen zijn de winningsindustrie, de landbouw, de kledingsector, de sector werkgelegenheid en werving, de financiële sector en de sector informatie- en communicatietechnologie. Ook wordt een aantal milieu- en transversale kwesties besproken.

 

Hoe werden de sectoren geselecteerd?

Tool 6 behandelt economische sectoren die relevant zijn voor de Belgische economie. Deze sectoren werden geïdentificeerd aan de hand van een enquête van de krant De TIJD die de grootste bedrijven in België in kaart bracht. In eerste instantie komen in tool 6 de volgende sectoren aan bod: de bouw, metalen en mineralen, farmaceutica en transport. De wapenhandel en de diamantsector (laatstgenoemde is opgenomen in metalen en mineralen) maken geen deel uit van de enquête, maar werden opgenomen vanwege hun relevantie voor mensenrechten. Andere revelante sectoren worden geleidelijk aan Tool 6 toegevoegd.

Hoe verhoudt Tool 6 zich tot de ander tools in het toolbox?

De informatie in Tool 6 gidst organisaties en stakeholder door de niet-bindende richtlijnen rond mensenrechten. Hiermee kunnen organisaties mogelijke risico’s voor hun specifieke context beter herkennen en maatregelen nemen om ze te voorkomen. Deze regels en richtlijnen vormen een aanvulling op de algemene regels die elders in deze Toolbox aan de orde komen. Ze bieden aanvullende inzichten in deze specifieke sectoren en accentueren aandachtspunten die specifieke uitdagingen zouden kunnen vormen, vooral in waardeketens.