Skip to main content
Skip to main content Hulpmiddelen Woordenlijst

Hulpmiddelen

Belangrijkste gereedschappen

  • Wat wordt er van bedrijven verwacht?
  • Hoe aan de verwachtingen voldoen?
  • Verhaalmechanismen
  • Woordenlijst

Main navigation

Toolbox Logo
  • Toolbox Logo
  • Startpagina
  • Over
  • Woordenlijst
  • Test
  • Zoeken
    • EN
    • |
    • NL
    • |
    • FR
Hope icon

Wat wordt er van bedrijven verwacht?

News banner
Internationaal, regionaal en nationaal regelgevend landschap Reikwijdte en verplichtingen van bedrijven Staten in interactie met private organisaties Sectoren en gebieden met een hoog risico

Reikwijdte en verplichtingen van bedrijven

Intro Welke bedrijven vallen eronder? Wat zijn hun mensenrechtenverplichtingen?
Dit hoofdstuk helpt je te begrijpen welke bedrijven de maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om mensenrechten te respecteren en wat hun verplichtingen op het gebied van mensenrechten zijn.
1

Welke bedrijven

2

Verplichtingen

Over welke bedrijven gaat het?

Toepassingsgebied en verplichtingen van het bedrijf

De verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren geldt voor alle organisaties. Elke organisatie - publiek of privaat - en ongeacht haar omvang, sector, operationele context, eigendom en structuur, moet ervoor zorgen dat haar activiteiten en zakelijke relaties geen schade toebrengen aan mensen of de planeet.

Wat is een "bedrijf"?

"Bedrijf" verwijst normaliter naar een particuliere organisatie die zich bezighoudt met commerciële activiteiten, ongeacht haar rechtsvorm. Hieronder vallen naamloze vennootschappen, partnerschappen, eenmanszaken, coöperaties en holdings. Een holding is een bedrijf met als belangrijkste functie het bezitten van aandelen of controlebelangen in andere bedrijven. Zelfs als ze weinig directe activiteiten heeft, kan ze via haar controle en invloed op dochterondernemingen toch verantwoordelijkheden dragen op het gebied van mensenrechten.

De EU-wetgeving legt niet één enkele definitie van een vestigingsplaats op, maar erkent twee belangrijke benaderingen die door de lidstaten worden gebruikt:

  • De incorporatietheorie (gevolgd door België): de wettelijke vestigingsplaats van een bedrijf wordt bepaald door de plaats waar het is opgericht (de maatschappelijke zetel).
  • De theorie van de werkelijke zetel: de vestigingsplaats van een bedrijf is gekoppeld aan de locatie van de centrale administratie of de hoofdvestiging.

Als gevolg hiervan mogen lidstaten, hoewel ze verschillende vestigingsplaatscriteria kunnen toepassen voor fiscale of regelgevende doeleinden, het recht van bedrijven om zich binnen de EU te vestigen en grensoverschrijdend te opereren niet belemmeren.

Volgens de EU-wetgeving mogen de lidstaten voor beide benaderingen kiezen, maar moeten ze wel het recht van bedrijven respecteren om zich te vestigen en grensoverschrijdend te werken.

Staatsbedrijven

Van bedrijven die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de staat wordt ook verwacht dat ze de mensenrechten respecteren. Volgens de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's, Principe 4) moeten deze ondernemingen aan dezelfde standaarden voldoen als particuliere bedrijven. In het bijzonder wordt van hen verwacht dat ze ervoor zorgen dat hun activiteiten en zakelijke relaties geen nadelige gevolgen hebben voor de mensenrechten. Daartoe wordt van hen verwacht dat ze aan due diligence op het gebied van mensenrechten doen om risico's te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Maar omdat deze bedrijven eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de staat - die zelf gebonden is aan internationale mensenrechtenverplichtingen - worden ze vaak aan een strenger onderzoek onderworpen. Van staten wordt daarom verwacht dat ze extra stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat hun ondernemingen een leidende rol opnemen in het respecteren van mensenrechten.

Bedrijven in België

In België kunnen bedrijven verschillende juridische vormen aannemen, elk met hun eigen verantwoordelijkheden en aansprakelijkheidsniveaus.

Volgens het Belgische Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen wordt een bedrijf als Belgisch beschouwd - en onderworpen aan de Belgische wet - als zijn maatschappelijke zetel (statutaire zetel) zich in België bevindt. Dit adres, vermeld in de statuten en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bepaalt de nationaliteit en de wettelijke vestigingsplaats van het bedrijf.

Voor belastingdoeleinden kan echter ook rekening worden gehouden met de plaats van werkelijke leiding en controle ("werkelijke zetel"). De Belgische fiscus kan ook de benadering van de "werkelijke zetel" hanteren, waarbij wordt beoordeeld waar de centrale leiding en controle van een bedrijf effectief worden uitgeoefend. Een bedrijf dat wettelijk in het buitenland is opgericht, kan nog steeds worden behandeld als een Belgische fiscale inwoner als de belangrijkste managementbeslissingen en de dagelijkse controle in België plaatsvinden.

Organisaties zonder rechtspersoonlijkheid

Hieronder vallen ook partnerschappen en andere verenigingen. Hoewel ze geen formele juridische entiteiten zijn, kunnen ze toch verantwoordelijk worden gehouden voor nadelige gevolgen voor mensenrechten die voortvloeien uit hun activiteiten. Oprichters van dergelijke entiteiten zijn persoonlijk en gezamenlijk aansprakelijk, ongeacht of de organisatie al dan niet een winstoogmerk heeft.

Organisaties met rechtspersoonlijkheid

Dit zijn zowel organisaties met als zonder winstoogmerk.

Organisaties met winstoogmerk

Volgens het Belgische Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen wordt een vennootschap opgericht door middel van een contract tussen twee of meer mensen die overeenkomen iets van waarde bij te dragen - zoals kapitaal, goederen of diensten - om een nieuwe rechtspersoon te vormen. Het doel van deze entiteit is het nastreven van de doelstellingen die zijn vastgelegd in haar statuten, met de intentie om directe of indirecte financiële voordelen te verschaffen aan haar aandeelhouders of partners.

Organisaties zonder winstoogmerk

Deze zijn gestructureerd om publieke of sociale belangen te dienen, niet particuliere winst. De belangrijkste types zijn:

  • VZW - vereniging zonder winstoogmerk: Verenigingen gevormd door ten minste drie personen met een niet-commercieel doel (bijv. sport, cultuur, belangenbehartiging).
  • Stichtingen: Opgericht door een of meer oprichters die activa overdragen om filantropische doelen of doelen van algemeen belang na te streven. Ze hebben een bestuur maar geen leden. Winsten moeten opnieuw worden geïnvesteerd in de missie van de stichting. Sommige stichtingen zijn openbaar, opgericht bij koninklijk besluit en beperkt tot specifieke doeleinden zoals wetenschappelijk, cultureel of humanitair werk.

Grotere bedrijven en entiteiten van openbaar belang

Grote of beursgenoteerde bedrijven hebben te maken met strengere verwachtingen, vooral als het gaat om transparantie op het gebied van duurzaamheid en mensenrechten. Van hen wordt met name verwacht dat ze niet-financiële informatie rapporteren, zoals hun prestaties op het gebied van mensenrechten en milieu.

Het Belgisch Wetboek definieert een beursgenoteerd bedrijf als een bedrijf waarvan de aandelen openbaar worden verhandeld op een gereglementeerde markt.

Bedrijven die van algemeen belang worden geacht — bijvoorbeeld bedrijven die actief zijn in de energie-, water-, post- of transportsector — hebben ook uitgebreide rapportageverplichtingen en worden geacht hoge standaarden van verantwoord gedrag aan te tonen.

Bedrijfsgrootte en classificatie in België

Verplichtingen voor bedrijven kunnen variëren afhankelijk van hun grootte. In België worden bedrijven typisch als volgt geclassificeerd:

Grote bedrijven

Een bedrijf wordt als groot beschouwd als het gedurende twee opeenvolgende boekjaren meer dan een van de volgende drempels overschrijdt:

  • Meer dan 50 voltijdse werknemers
  • Jaarlijkse omzet van meer dan € 9 miljoen
  • Balanstotaal hoger dan € 4,5 miljoen

Een bedrijf wordt ook als groot geclassificeerd als het beursgenoteerd is, ongeacht de grootte.

Voor moederbedrijven worden deze drempels beoordeeld op geconsolideerde basis, wat betekent dat ze de cijfers van dochterondernemingen en gelieerde entiteiten moeten omvatten.

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)

België definieert kmo's volgens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en voor boekhoudkundige en fiscale doeleinden.

Een bedrijf wordt beschouwd als een kmo als het niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:

  • 50 voltijdse werknemers
  • € 9 miljoen omzet
  • Balanstotaal € 4,5 miljoen

Deze classificatie omvat zowel kleine als middelgrote ondernemingen.

Micro-ondernemingen (kmo's)

In België worden micro-ondernemingen gedefinieerd als een specifieke subcategorie van kmo's aan de hand van drempels die zijn vastgelegd in de Belgische wetgeving inzake bedrijfsboekhouding.

Een bedrijf wordt beschouwd als een micro-onderneming als het niet meer dan één van de volgende drempels overschrijdt:

  • 10 voltijdse werknemers
  • Jaarlijkse omzet (exclusief btw) van € 900.000
  • Balanstotaal van € 450.000

Recente veranderingen en aanpassing aan de EU

Deze bijgewerkte drempels zijn van kracht voor boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2024, na de implementatie door België van de Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2023/2775 van de EU, aangenomen in maart 2024. Deze richtlijn actualiseerde de financiële drempels die worden gebruikt om bedrijven te classificeren onder de boekhoudregels van de EU, met name voor het definiëren van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen.

Bijgevolg zijn de Belgische en EU-definities nu op elkaar afgestemd voor boekhoudkundige en financiële rapporteringsdoeleinden. Deze afstemming strekt zich echter niet uit tot alle gebieden. EU-aanbeveling 2003/361/EG bijvoorbeeld, die wordt gebruikt om te bepalen of kmo's in aanmerking komen voor financiering, beleidsvrijstellingen en wettelijke kaders, hanteert nog steeds oudere drempels voor omzet en balanstotalen. Zie bijvoorbeeld EU Commission Recommendation 2003/361/EC of 6 May 2003 concerning the definition of micro, small and medium-sized enterprises (Text with EEA relevance) (notified under document number C(2003) 1422).

Nuttige bronnen:

  • Belgisch Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen
  • Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 1422)

Implicaties voor verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten

In de context van EU-wetgeving over duurzaam ondernemen variëren specifieke drempels ook tussen de verschillende rechtsinstrumenten. Als gevolg hiervan kunnen bedrijven in verschillende grootteklassen vallen, afhankelijk van de wetgeving die wordt toegepast.

Toch is het belangrijk eraan te herinneren dat de verantwoordelijkheid van bedrijven om de mensenrechten te respecteren geldt voor alle bedrijven, groot of klein, ongeacht hun eigendom en structuur. De schaal en complexiteit van het due diligence-proces moeten evenredig zijn: van grotere bedrijven met complexe activiteiten en wereldwijde waardeketens wordt verwacht dat ze meer geformaliseerde en uitgebreide processen hanteren, terwijl kleinere bedrijven normaliter een eenvoudiger aanpak kunnen hanteren die in verhouding staat tot hun omvang, sector, activiteiten en de ernst van de risico's waarbij ze betrokken kunnen zijn.

Wat zijn hun mensenrechtenverplichtingen?

Mensenrechtenverplichtingen van bedrijven

De verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren is gebaseerd op maatschappelijke verwachtingen. Het stelt bedrijven in staat om hun vergunning om te opereren veilig te stellen en tegelijkertijd te voldoen aan de toenemende eisen van investeerders, consumenten en zakenpartners. Deze verwachting wordt in toenemende mate omgezet in wettelijke vereisten - via wetgeving zoals de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD), sectorspecifieke regelgeving en nationale wetgeving in Frankrijk, Duitsland, Noorwegen en daarbuiten.

Mensenrechten respecteren is ook zakelijk verstandig: het helpt wettelijke aansprakelijkheid, verstoringen van de toeleveringsketen, reputatieschade en mogelijk kostbare conflicten met werknemers, gemeenschappen of andere belanghebbenden te voorkomen. Tegelijkertijd versterkt het de merkwaarde, schept het vertrouwen, stelt het bedrijven in staat om talent aan te trekken en te behouden en beschermt het de toegang tot markten, financiering en contracten. Effectieve due diligence-processen op het gebied van mensenrechten zijn essentieel om op de lange termijn veerkrachtig te zijn, terwijl niet-naleving kan leiden tot boetes, rechtszaken, import/exportverboden, uitsluiting van markten of overheidsopdrachten.

Nuttige bronnen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), De UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
  • OESO, OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (2023)
Hoe kunnen bedrijven betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen?

Bedrijven kunnen invloed hebben op vrijwel alle internationaal erkende mensenrechten. Hun betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen kan niet alleen het gevolg zijn van hun eigen acties (of nalatigheden), maar ook van die van hun zakenrelaties. Volgens de UNGP's kan een bedrijf:

  • Schade veroorzaken door haar eigen activiteiten, bijvoorbeeld door arbeidsrechten te schenden, discriminerende praktijken toe te passen of het milieu van lokale gemeenschappen te vervuilen.
  • Bijdragen aan schade door het faciliteren of vergroten van het risico op effecten veroorzaakt door een zakenpartner - bijvoorbeeld door leveranciers onder druk te zetten om onrealistische productiedeadlines te halen die resulteren in buitensporig veel overwerk of onveilige werkomstandigheden.
  • In verband worden gebracht met schade door haar producten, diensten of zakelijke relaties - bijvoorbeeld als een financiële instelling een lening verstrekt aan een klant en het gefinancierde project resulteert in gedwongen uitzettingen of arbeidsmishandeling, ondanks eerder overeengekomen mensenrechtenstandaarden.

Dit onderscheid is belangrijk omdat het bepaalt wat er van bedrijven wordt verwacht in termen van verantwoordelijkheid en reactie:

  • Wanneer een bedrijf een nadelig gevolg veroorzaakt, wordt er van het bedrijf verwacht dat het actieve stappen onderneemt om de impact te stoppen of te voorkomen en voorziet in of meewerkt aan herstel voor getroffen personen.
  • Wanneer een bedrijf bijdraagt aan een nadelig gevolg, wordt van het bedrijf verwacht dat het zijn bijdrage stopt of voorkomt en zijn invloed aanwendt om de resterende impact zo veel mogelijk te beperken, en voorziet in of meewerkt aan herstel voor getroffen personen.
  • Wanneer een bedrijf via zijn activiteiten, producten of diensten direct verbonden is met een nadelig gevolg (zonder het te veroorzaken of eraan bij te dragen), wordt van het bedrijf verwacht dat het zijn invloed gebruikt (of vergroot) om de verantwoordelijke partij te beïnvloeden om de schade te voorkomen of te beperken. Als dat niet haalbaar blijkt, kan het nodig zijn om te overwegen de zakelijke relatie te beëindigen. Een dergelijke beëindiging moet op verantwoorde wijze worden uitgevoerd, rekening houdend met de mogelijke gevolgen voor de mensenrechten van terugtrekking - vooral voor werknemers of getroffen gemeenschappen. Hoewel het bedrijf in dergelijke gevallen misschien niet verplicht is om rechtsmiddelen te bieden, moet het toch de relatie beoordelen en passende stappen ondernemen om te voorkomen dat het in de toekomst betrokken raakt bij soortgelijke schade.

Deze categorieën - veroorzaken, bijdragen aan en verbonden met - moeten niet worden gezien als starre hokjes. In de praktijk valt de betrokkenheid van bedrijven bij mensenrechtenschendingen vaak binnen een spectrum, met overlappingen en grijze gebieden. Om de verantwoordelijkheid van een bedrijf te begrijpen, is een zorgvuldige beoordeling nodig van hoe de schade is ontstaan, wat het bedrijf wist of had moeten weten en welke acties het heeft ondernomen of heeft nagelaten te ondernemen als reactie. Hoe meer een bedrijf bekende risico's mogelijk heeft gemaakt, heeft aangemoedigd of heeft nagelaten op te treden, des te groter is waarschijnlijk de verantwoordelijkheid.

Nuttige bronnen:

  • OHCHR, The Corporate Responsibility to Respect Human Rights: An Interpretative Guide (Verenigde Naties 2012)
  • OESO, OESO Due Diligence Handreiking voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (2018)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Bedrijven die actief zijn in of vanuit België kunnen op verschillende manieren betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen - door ze te veroorzaken, ertoe bij te dragen of ermee verbonden te zijn - en in alle gevallen geldt de verantwoordelijkheid om de mensenrechten te respecteren. Dit betekent dat Belgische bedrijven verder moeten kijken dan hun onmiddellijke activiteiten om de potentiële risico's voor de mensenrechten van hun leveranciers, aannemers en andere partners te identificeren en aan te pakken.

Wat zijn de belangrijkste verantwoordelijkheden van bedrijven op het gebied van mensenrechten?

De kernverantwoordelijkheid is 'geen schade berokkenen'. In de praktijk betekent dit dat bedrijven ervoor moeten zorgen dat hun activiteiten en waardeketens geen negatieve invloed hebben op mensenrechten of de planeet. Deze verantwoordelijkheid is echter niet passief. Van bedrijven wordt verwacht dat ze proactieve stappen ondernemen om vast te stellen waar hun activiteiten of zakelijke relaties schade kunnen veroorzaken, deze risico's voorkomen of beperken en eventuele nadelige gevolgen aanpakken.

Zowel de UNGP's als de OESO-richtlijnen benadrukken dat bedrijven deze verantwoordelijkheid moeten formaliseren door een publieke toezegging om mensenrechten te respecteren. Meestal gebeurt dit in de vorm van een mensenrechtenbeleid, een verklaring waarin het engagement van het bedrijf om internationaal erkende mensenrechtenstandaarden na te leven wordt uiteengezet en waarin wordt beschreven hoe dit engagement zal worden geïmplementeerd. Er bestaan nuttige bronnen, zoals de Guide on How to Develop a Human Rights Policy van de UN Global Compact, waarin staat dat een effectief mensenrechtenbeleid het volgende moet omvatten:

  • Een duidelijk engagement uitdrukken om alle internationaal erkende mensenrechten te respecteren.
  • Uitleggen hoe het bedrijf dit engagement in de praktijk zal brengen — bijv. bestuur, verantwoordingsplicht en integratie in de bedrijfsactiviteiten.
  • Verwachtingen stellen aan zakenpartners en belanghebbenden en duidelijk maken dat respect voor mensenrechten deel uitmaakt van de manier waarop het bedrijf zaken doet.

Een engagement op papier is echter niet genoeg. Bedrijven moeten ook de daad bij het woord voegen door effectieve HRDD-processen in te voeren (zie Instrument 8). Een HRDD-proces is een doorlopend proces voor het identificeren, beoordelen, voorkomen, beperken en verantwoorden van de manier waarop ze omgaan met feitelijke en potentiële gevolgen voor mensenrechten. Belangrijk is dat HRDD verder gaat dan de eigen activiteiten van een bedrijf en ook de zakelijke relaties in de waardeketen omvat.

Nuttige bronnen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), De UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
  • A Guide for Business on How to Develop a Human Rights Policy van UN Global Compact

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze een duidelijk mensenrechtenbeleid aannemen dat internationaal erkende standaarden weerspiegelt en dat ze dit engagement in de praktijk brengen in al hun activiteiten en waardeketens. Dit omvat het inbedden van het beleid in bestuursstructuren, het in gesprek gaan met belanghebbenden en zakelijke partners en het uitvoeren van due diligence op het gebied van mensenrechten.

Extraterritoriale reikwijdte

De bedrijfsverantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren geldt voor alle activiteiten van een bedrijf, ongeacht waar ze plaatsvinden. Dit betekent dat bedrijven niet alleen moeten kijken naar de gevolgen voor de mensenrechten in hun eigen land, maar ook in andere landen waar ze opereren, goederen inkopen of zakelijke relaties hebben. Onder de UNGP's is de verantwoordelijkheid wereldwijd in omvang: van bedrijven wordt verwacht dat ze HRDD toepassen in hun hele waardeketen, inclusief dochterondernemingen, leveranciers, aannemers en andere partners in het buitenland. Deze extraterritoriale dimensie is vooral relevant voor bedrijven met wereldwijde activiteiten en waardeketens.

Belangrijk is dat wettelijke kaders zich ook ontwikkelen om deze verwachting te weerspiegelen. Zo legt de CSDDD bindende due diligence-verplichtingen op het gebied van mensenrechten en milieu vast voor zowel EU-bedrijven als niet-EU-bedrijven met een significante aanwezigheid op de EU-markt, en verplicht zij hen om due diligence-onderzoek uit te voeren voor al hun wereldwijde activiteiten en waardeketens. Bedrijven kunnen aansprakelijk worden gesteld voor schade aan mensenrechten of het milieu die zich buiten de EU voordoet, zoals schade die wordt veroorzaakt door overzeese leveranciers of dochterondernemingen.

Nuttige bronnen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), De UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
  • OESO, OESO Due Diligence Handreiking voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (2018)
  • Europese Commissie, richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD, 2024)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Belgische bedrijven moeten ervoor zorgen dat hun verantwoordelijkheid om de mensenrechten te respecteren verder reikt dan de landsgrenzen. Of ze nu in het buitenland opereren, materialen inkopen of met internationale zakenpartners samenwerken, er wordt van hen verwacht dat ze de risico's op het gebied van mensenrechten in hun wereldwijde waardeketens identificeren en beheren.

Tegenover wie moeten bedrijven hun verantwoordelijkheid opnemen?

Bedrijven kunnen via hun activiteiten en waardeketens invloed hebben op veel verschillende groepen mensen, en de verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren strekt zich daarom breed uit. Ze heeft betrekking op werknemers - niet alleen directe werknemers, maar ook werknemers op contractbasis, uitzendkrachten en mensen die in waardeketens werken. Ze geldt ook voor consumenten en eindgebruikers, die erop vertrouwen dat bedrijven veilige, eerlijke en betrouwbare producten en diensten leveren. Dit strekt zich uit tot verantwoorde marketingpraktijken, wat betekent dat bedrijven misleidende beweringen moeten vermijden, het recht van de consument op accurate informatie moeten respecteren en ervoor moeten zorgen dat reclame geen schadelijke stereotypen versterkt of kwetsbare groepen zoals kinderen uitbuit. Ze omvat ook gemeenschappen die in de buurt van activiteiten wonen en die beïnvloed kunnen worden door landgebruik, vervuiling of andere bedrijfsactiviteiten. Tot slot moeten bedrijven speciale aandacht besteden aan kwetsbare groepen, waaronder vrouwen, inheemse volken, kinderen, migrantenarbeiders, mensen met een handicap en minderheden, die vaak onevenredig zwaar worden getroffen door bedrijfspraktijken.

Bij due diligence op het gebied van mensenrechten moet rekening worden gehouden met het genderperspectief en moet specifieke aandacht gaan naar de rechten van kinderen, waarbij moet worden erkend dat de risico's en gevolgen per leeftijd en geslacht kunnen verschillen. Zaken vanuit dit oogpunt bekijken kan bedrijven helpen bij het identificeren van verborgen of over het hoofd geziene schade en het ontwerpen van meer inclusieve en effectieve reacties.

Om deze risico's effectief te identificeren en aan te pakken, wordt van bedrijven verwacht dat ze op een zinvolle manier samenwerken met betrokken belanghebbenden en hun legitieme vertegenwoordigers. Het samenwerken met belanghebbenden is een centraal onderdeel van due diligence op het gebied van mensenrechten en helpt ervoor te zorgen dat bedrijfsbeslissingen worden geïnformeerd door het perspectief van degenen die mogelijk worden beïnvloed. Als dit goed gebeurt, kunnen bedrijven potentiële schade vroegtijdig identificeren, vertrouwen opbouwen en effectievere reacties ontwerpen.

Nuttige bronnen:

  • OHCHR, Indigenous Peoples and the United Nations Human Rights System (2013)
  • IAO Helpdesk for Business on International Labour Standards
  • UNICEF, Children's Rights and Business Principles
  • UN Global Compact & UN Women, Women’s Empowerment Principles (WEPs)
  • VN-werkgroep bedrijfsleven en mensenrechten & UNDP (2020), Gender Dimensions of the Guiding Principles on Business and Human Rights

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Belgische bedrijven moeten rekening houden met de manier waarop hun activiteiten en waardeketens een breed scala aan mensen beïnvloeden - waaronder werknemers, consumenten, lokale gemeenschappen en kwetsbare groepen. Om dit effectief te doen, wordt van hen verwacht dat ze op een zinvolle manier samenwerken met de betrokken belanghebbenden, vooral met degenen die een groter risico lopen, zoals vrouwen, kinderen, migrerende werknemers, mensen met een handicap en minderheden. Zinvolle samenwerking met belanghebbenden helpt bedrijven risico's vroegtijdig te identificeren, effectiever te reageren en vertrouwen op te bouwen bij degenen die door hun activiteiten worden beïnvloed.

Internationaal kader

Internationale bindende en niet-bindende mensenrechtenwetgeving, -standaarden en -principes

De wereldwijde standaard voor wat er van bedrijven wordt verwacht op het gebied van mensenrechten berust op twee belangrijke internationale instrumenten: de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen).

the United Nations Guiding Principles on
Business and Human Rights (UNGPs)
the OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct (OECD Guidelines).

Dit zijn "soft law"-instrumenten – ze creëren geen juridisch bindende verplichtingen – maar het zijn internationaal erkende richtlijnen die aanzienlijke steun hebben gekregen doordat regeringen, bedrijven, middenveldorganisaties, Europese instellingen en vele andere actoren over de hele wereld de principes hebben onderschreven en zich ertoe hebben verbonden om ze in de praktijk te brengen.

Belangrijk is dat de UNGP's en de OESO-richtlijnen ook de weg hebben geëffend voor nationaal en EU-beleid dat HREDD-verwachtingen omzet in een wettelijke vereiste (zie de delen over regionale en nationale kaders).

The United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights

De UNGP's zijn ontwikkeld onder leiding van professor John Ruggie en zijn team, na jaren van multi-stakeholderoverleg, en werden unaniem goedgekeurd door de VN-Mensenrechtenraad in juni 2011. Ze zijn gestoeld op drie pijlers die de complementaire – maar verschillende – rollen van staten en bedrijven met betrekking tot mensenrechten schetsen:

Pijler 1: De plicht van de staat om te beschermen
Staten zijn volgens de internationale mensenrechtenwetgeving verplicht om individuen op hun grondgebied of onder hun rechtsbevoegdheid te beschermen tegen mensenrechtenschendingen, inclusief die welke verband houden met bedrijfsactiviteiten. Dit doen ze via beleid, wetten, regels en handhaving.
Pijler 2: De verantwoordelijkheid van bedrijven om respect op te brengen
Bedrijven moeten proactieve stappen ondernemen om te voorkomen dat ze de rechten van mensen schaden, zowel in hun eigen activiteiten als via hun zakelijke relaties.
Pijler 3: Toegang tot rechtsmiddelen
Zowel staten als bedrijven moeten ervoor zorgen dat mensen wier rechten zijn geschonden een effectief rechtsmiddel kunnen krijgen.

Voor bedrijven – ook Belgische – is vooral pijler 2 van cruciaal belang. De verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren geldt voor alle bedrijven, ongeacht hun grootte, en heeft betrekking op zowel hun eigen activiteiten als hun waardeketens. De UNGP's bieden bedrijven een praktisch kader om aan deze verantwoordelijkheid te voldoen door middel van beleid en processen die passen bij hun omvang en omstandigheden, waaronder:

1

Een publiek engagement om mensenrechten te respecteren.

2

Een due diligence-proces op het gebied van mensenrechten om de impact op mensenrechten te identificeren, te voorkomen, te beperken en er verantwoording over af te leggen.

3

Processen om te voorzien in, of mee te werken aan, herstel wanneer zij nadelige gevolgen veroorzaken of daartoe bijdragen.

Net als bij conventionele due diligence in het bedrijfsleven of de juridische sector gaat het bij due diligence op het gebied van mensenrechten (HRDD) om risicobeheer. Het belangrijkste verschil is dat traditionele due diligence zich vooral richt op risico's voor het bedrijf (bijvoorbeeld financieel, juridisch of reputatie), terwijl HRDD zich richt op risico's voor mensen. Deze verschuiving in perspectief is wat HRDD anders maakt.

Belangrijk is dat HRDD ook een gedragsnorm vertegenwoordigt: het geeft aan hoe een redelijk bedrijf zich onder de gegeven omstandigheden zou moeten gedragen. Met andere woorden, bedrijven worden niet beoordeeld op de vraag of alle risico's zijn geëlimineerd, maar op de vraag of ze kunnen aantonen dat ze de juiste stappen hebben genomen – in verhouding tot hun omvang, activiteiten en risicoprofiel – om de gevolgen voor mensenrechten te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. De geschiktheid van de stappen die zijn ondernomen om de geïdentificeerde risico's te ontdekken en aan te pakken, zal worden beoordeeld.

Cruciaal is dat de verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren verder gaat dan alleen naleving van de wet: van bedrijven wordt verwacht dat ze zich aanpassen aan internationaal erkende mensenrechtenstandaarden, zelfs als nationale regeringen tekortschieten in het nakomen van hun eigen verplichtingen.

Nuttige bronnen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), The UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
  • OHCHR, The Corporate Responsibility to Respect Human Rights: An Interpretative Guide (Verenigde Naties 2012)

Welke mensenrechten worden internationaal erkend?

De UNGP's definiëren internationaal erkende mensenrechten als minimaal de rechten die zijn vastgelegd in twee belangrijke bronnen:

  • het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens; en
  • de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake de Fundamentele Principes en Rechten op het Werk.

Het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens bundelt drie historische instrumenten die door de meeste landen ter wereld zijn geratificeerd:

  • De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948): aangenomen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, legt het voor het eerst een gemeenschappelijke standaard van fundamentele rechten en vrijheden voor alle mensen vast. Hoewel niet wettelijk bindend, is het de basis en het referentiepunt geworden voor de moderne mensenrechtenwetgeving.
  • Het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR, 1966): garandeert essentiële civiele en politieke rechten zoals het recht op leven, privacy en een eerlijk proces; vrijheid van meningsuiting, religie en vereniging; en bescherming tegen marteling, slavernij, willekeurige opsluiting en discriminatie. Landen die het IVBPR ratificeren (zoals België) zijn wettelijk verplicht om de bepalingen ervan na te leven en regelmatig rapporten in te dienen bij het VN-Mensenrechtencomité.
  • Het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR, 1966): beschermt rechten zoals een eerlijk loon, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, vrijheid van vereniging, het recht op onderwijs, de hoogst haalbare gezondheidsstandaard, een adequate levensstandaard en deelname aan het culturele leven. Ratificerende landen (zoals België) moeten de rechten die zijn vastgelegd in het ICESCR geleidelijk aan realiseren. De naleving wordt gecontroleerd door het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten.

De Verklaring van de IAO inzake de Fundamentele Principes en Rechten op het Werk, oorspronkelijk aangenomen in 1998 en voor het laatst herzien in 2022, biedt een gezaghebbend kader over de rechten van werknemers, een centraal onderdeel van de UNGP's. Hoewel het geen verdrag is, verplicht de IAO-Verklaring alle lidstaten van de IAO (waaronder België) om de opgesomde principes te respecteren en te promoten, ongeacht of ze de gerelateerde IAO-verdragen al dan niet hebben geratificeerd. Dit omvat het handhaven van vijf fundamentele vrijheden:

  • vrijheid van vereniging en het recht op collectief overleg
  • uitbanning van gedwongen of verplichte arbeid
  • afschaffing van kinderarbeid
  • uitbanning van discriminatie in arbeid en beroep
  • een veilige en gezonde werkomgeving.

Deze rechten zijn verder uitgewerkt in de acht fundamentele IAO-verdragen.

Nuttige bronnen:

  • C087 - Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948
  • C098 - Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949
  • C029 - Verdrag betreffende dwangarbeid, 1930
  • C105 - Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957
  • C138 - Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973
  • C182 - Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999
  • C100 - Verdrag inzake gelijke beloning, 1951
  • C111 - Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, 1958

Belangrijk is dat internationaal erkende mensenrechten verder gaan dan deze basislijn. Van bedrijven wordt verwacht dat ze speciale aandacht besteden aan groepen en individuen die extra kwetsbaar zijn voor negatieve gevolgen wanneer hun activiteiten of zakelijke relaties hen kunnen beïnvloeden. Hieronder vallen inheemse volken, vrouwen, kinderen, mensen met een handicap, migranten en etnische of religieuze minderheden. Verschillende internationale mensenrechteninstrumenten voorzien in specifieke bescherming van specifieke groepen.

Nuttige bronnen:

Juridisch bindende verdragen (na ratificatie)

  • Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (ICERD, 1965) - Geratificeerd door België in 1975
  • Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW, 1979) - Geratificeerd door België in 1985
  • Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK, 1989) - Geratificeerd door België in 1991
  • Het IAO-Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken (nr. 169, 1989) - Niet geratificeerd door België.
  • Het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (ICMW, 1990) - Niet geratificeerd door België.
  • Het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD, 2006) - Geratificeerd door België in 2009.

Niet-bindend instrument (Soft Law)

  • De VN-verklaring over de rechten van inheemse volken (UNDRIP, 2007)

In conflictgebieden is ook het internationaal humanitair recht (IHR) van toepassing. Alle EU-lidstaten hebben de belangrijkste IHR-verdragen en -protocollen geratificeerd, wat betekent dat organisaties en individuen – waaronder bedrijven en hun vertegenwoordigers – het IHR moeten naleven.

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze de UNGP's in acht nemen – in het bijzonder door de bedrijfsverantwoordelijkheid voor het respecteren van de mensenrechten in hun beleid en praktijken te verankeren – om aan de maatschappelijke verwachtingen te voldoen en hun vergunning om als bedrijf actief te zijn te behouden.

The OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct

Samen met de UNGP's vormen de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen de wereldwijde maatstaf voor verantwoord zakelijk gedrag en een praktische blauwdruk voor hoe bedrijven hun verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren kunnen nakomen.

De OESO-richtlijnen werden voor het eerst geïntroduceerd in 1976 als aanbevelingen van OESO-lidstaten (waaronder België) en andere aangesloten regeringen aan bedrijven over verantwoord ondernemen. Ze werden in 2011 herzien om ze in overeenstemming te brengen met de UNGP's. Deze update introduceerde het concept van due diligence op het gebied van mensenrechten en breidde het uit naar domeinen als milieubescherming en klimaatverandering. De meest recente herziening vond plaats in 2023 en breidde de verwachtingen voor verantwoord ondernemen uit door due diligence in te voeren op het gebied van klimaat, biodiversiteit, wetenschap, technologie, omkoping en lobbyen.

De OESO-richtlijnen worden ondersteund door nationale contactpunten (NCP's) in elk deelnemend land. Deze nationale agentschappen zorgen voor bewustmaking en promotie van de richtlijnen – onder andere door bedrijven advies te geven – en bieden een platform voor de behandeling van klachten over vermeende inbreuken op de OESO-richtlijnen door bedrijven. Ze kunnen ook beleidsinspanningen van regeringen ondersteunen om verantwoord ondernemen te bevorderen. In België valt het NCP onder de Federale Overheidsdienst Economie (FOD Economie).

Daarnaast worden de OESO-richtlijnen aangevuld met sector- en onderwerpspecifieke richtlijnen die bedrijven praktische aanwijzingen geven over hoe ze deze verwachtingen in hun dagelijkse activiteiten in de praktijk kunnen brengen.

Nuttige bronnen:

  • OESO, OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (2023)
  • OESO, OESO Due Diligence Handreiking voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (2018)
  • Belgisch Nationaal Contactpunt (NCP) voor Verantwoord Ondernemen

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze zich schikken naar de OESO-richtlijnen – in het bijzonder door risicogebaseerde due diligence op te nemen in hun activiteiten en in hun waardeketens – zowel als een kwestie van goede praktijk als om te voldoen aan de toenemende verwachtingen van regelgevers, investeerders en het maatschappelijk middenveld.

Regionaal kader

Standaarden en principes in Europa en de grotere Europese ruimte

Van bedrijven die actief zijn in Europa wordt steeds meer verwacht – en in sommige gevallen geëist – dat ze de mensenrechten respecteren, niet alleen in hun eigen activiteiten, maar in hun hele waardeketen. Deze verwachtingen gaan uit van een groeiend aantal wettelijk bindende kaders die zijn ontwikkeld door instellingen zoals de Europese Unie en de Raad van Europa.

Samen vormen deze kaders een regionale juridische omgeving waarin het respecteren van mensenrechten niet langer alleen een goede praktijk is, maar een wettelijke en maatschappelijke verwachting aan het worden is.

Belangrijkste regionale standaarden die relevant zijn voor het bedrijfsleven en mensenrechten

Voor bedrijven die actief zijn in de EU zijn regionale standaarden – naast internationaal erkende mensenrechten – zeer relevant, omdat ze de juridische omgeving waarin bedrijven opereren vormgeven. Deze omvatten:

  • Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (1950): een verdrag van de Raad van Europa, bindend voor de lidstaten (waaronder België). Het garandeert de belangrijkste burgerlijke en politieke rechten (bijv. recht op leven, vrijheid van vereniging, non-discriminatie). Zijn jurisprudentie is vaak de drijvende kracht achter juridische hervormingen op nationaal niveau, die op hun beurt weer van toepassing zijn op bedrijven.
  • Het Europees Sociaal Handvest (1961, herzien 1996): een verdrag van de Raad van Europa, bindend voor de lidstaten (waaronder België). Het garandeert de belangrijkste economische en sociale rechten, zoals eerlijke arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk, het recht op sociale zekerheid en bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting. Zijn toezichtsorgaan, het Europees Comité voor Sociale Rechten, beoordeelt regelmatig de naleving door de staat en haar bevindingen vormen vaak de basis voor nationale hervormingen van het arbeids- en sociaal beleid, die ook van invloed kunnen zijn op de praktijken van bedrijven.
  • Het Handvest van de grondrechten van de EU (2000): brengt burgerlijke, politieke, economische en sociale rechten samen met moderne rechten zoals milieubescherming, gegevensbescherming en consumentenbescherming. Het is wettelijk bindend voor de EU-instellingen en de lidstaten. Verordeningen en richtlijnen van de EU (zoals de AVG over gegevensbescherming) moeten voldoen aan het Handvest, wat in de praktijk directe verplichtingen schept voor bedrijven.
  • Het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (2005): een juridisch bindend verdrag dat staten verplicht mensenhandel te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders te vervolgen. Het is van toepassing op alle vormen van mensenhandel, inclusief arbeidsuitbuiting, en legt de nadruk op de rechten van slachtoffers en de zorgvuldigheid van bedrijven. De implementatie ervan kan van invloed zijn op zakelijke verplichtingen, met name in risicovolle sectoren en toeleveringsketens.
  • De Europese pijler van sociale rechten (2017): een beknopt overzicht van de 20 belangrijkste principes ter bevordering van een eerlijker en meer inclusief Europa. In deze brochure, die is opgesteld in samenwerking met EU-instellingen, worden de structuur en doelstellingen van de pijler duidelijk uiteengezet.
  • De milieuwetgeving en het milieubeleid van de EU: een breed corpus van bindende richtlijnen en verordeningen over vervuiling, biodiversiteit, klimaat en het gebruik van hulpbronnen. Deze versterken en complementeren de due diligence-verplichtingen van de CSDDD, waardoor milieubescherming een kernkwestie wordt voor bedrijven.
  • De mensenrechten- en arbeidswetgeving van de EU: een breed corpus van juridisch bindende verdragen, richtlijnen en verordeningen met betrekking tot burgerlijke vrijheden, werknemersrechten en sociale bescherming. Hieronder vallen wetten over arbeidsomstandigheden, gelijke behandeling, gezondheid en veiligheid, gegevensbescherming en toegang tot de rechter. Samen ondersteunen en versterken ze de due diligence- en duurzaamheidsagenda van de EU, waardoor respect voor de grondrechten een kernpunt wordt voor bedrijven op het gebied van compliance en governance.
  • Het antidiscriminatiekader van de EU: een uitgebreid kader van bindende richtlijnen die discriminatie op grond van ras, gender, godsdienst, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid verbieden. Deze omvatten regels voor gelijke behandeling in arbeid, beroep en toegang tot goederen en diensten. Samen maken ze non-discriminatie tot een belangrijk juridisch en reputatievraagstuk voor bedrijven.

Deze instrumenten vormen de basis van de regionale juridische omgeving waarin bedrijven opereren. Voortbouwend op deze basis heeft de EU onlangs meer specifieke en bindende verplichtingen voor bedrijven geïntroduceerd die hen verplichten om mensenrechten en het milieu te respecteren in hun eigen activiteiten en doorheen hun waardeketens. De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD), die in 2024 werd aangenomen, is de hoeksteen van dit evoluerende wettelijke kader. Ze maakt deel uit van een breder regelgevend kader dat gericht is op het handhaven van duurzaam en verantwoord ondernemen in de EU en daarbuiten.

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Voor Belgische bedrijven betekent dit groeiende corpus van regionale standaarden en wetgeving een verschuiving van vrijwillige verbintenissen naar afdwingbare verplichtingen. Als lid van de EU en de Raad van Europa is België verplicht om deze standaarden om te zetten in nationale wetgeving, wat betekent dat bedrijven die in België actief zijn, zich eraan moeten houden. Dit juridische landschap vereist dat Belgische bedrijven niet alleen op de hoogte blijven, maar ook actief respect voor mensenrechten en het milieu integreren in hun beleid, hun praktijken en in hun waardeketens.

De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid

De CSDDD maakt het voor grote bedrijven wettelijk verplicht om zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu (Human Rights and Environmental Due Diligence – HREDD) uit te voeren in zowel hun eigen activiteiten als in hun “activiteitenketens”. Dit omvat:

  • upstream zakenpartners – leveranciers en andere partners die betrokken zijn bij de productie van goederen of de levering van diensten door het bedrijf
  • bepaalde downstream zakenpartners – zoals degenen die verantwoordelijk zijn voor distributie, transport en opslag van het product.

Welke bedrijven vallen onder de CSDDD?

De CSDDD is van toepassing op:

  • grote EU-bedrijven met meer dan 1.000 werknemers en een wereldwijde omzet van meer dan € 450 miljoen; en
  • niet-EU-bedrijven met een omzet van meer dan € 450 miljoen binnen de EU-markt.

Effect op kmo's

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vallen niet rechtstreeks onder de CSDDD, maar zij zullen de gevolgen indirect voelen. Grotere bedrijven zullen van hun leveranciers informatie eisen en bepaalde due diligence-maatregelen treffen om aan hun eigen verplichtingen te voldoen. Kmo's die deel willen blijven uitmaken van toeleveringsketens zullen zich aan deze verwachtingen moeten aanpassen.

Welke standaarden moeten bedrijven respecteren?

De CSDDD specificeert welke mensenrechten- en milieustandaarden bedrijven moeten respecteren.

De mensenrechten (Bijlage I, Deel I) zijn gebaseerd op de belangrijkste reeds genoemde internationale instrumenten, waaronder het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens en de IAO-verdragen. De belangrijkste verwachtingen zijn:

  • de uitbanning van kinderarbeid of dwangarbeid
  • eerlijke en passende lonen
  • veilige en gezonde leefomstandigheden

De milieustandaarden (Bijlage I, Deel II) zijn gebaseerd op belangrijke internationale milieuovereenkomsten. Bedrijven moeten in het bijzonder zorgen voor:

  • de bescherming van biodiversiteit
  • het voorkomen van aanzienlijke vervuiling
  • duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen
  • bijdrage aan het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5°C, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs

Handhaving

De CSDDD voorziet in twee belangrijke handhavingsmechanismen:

  • Toezichthoudende autoriteiten – elke lidstaat moet een toezichthouder oprichten met bevoegdheden om informatie op te vragen, bedrijven te onderzoeken, te reageren op klachten, corrigerende maatregelen te bevelen en boetes op te leggen.
  • Wettelijke aansprakelijkheid – bedrijven kunnen aansprakelijk worden gesteld als ze niet de juiste zorgvuldigheid betrachten en dit tot schade aan individuen leidt.

Het Omnibuspakket

Begin 2025 stelde de Europese Commissie een “Omnibuspakket” voor, dat de CSDDD en andere EU-regelgeving moest wijzigen met het uitgesproken doel om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren en de welvaart op lange termijn te bevorderen.

Op 14 april 2025 heeft de Raad van de EU het eerste deel van dit pakket - de "stop de klok"-richtlijn - goedgekeurd, waardoor de toepassings- en omzettingstermijnen van de CSDDD worden uitgesteld. Lidstaten, waaronder België, moeten nu de CSDDD omzetten in nationale wetgeving tegen 26 juli 2027, een jaar later dan oorspronkelijk gepland.

Het tweede deel van het pakket - waarover nog wordt onderhandeld - zou meer inhoudelijke veranderingen met zich mee kunnen brengen, zoals: het beperken van de due diligence-verplichtingen tot hoofdzakelijk Tier 1-leveranciers (tenzij bedrijven "plausibele informatie" hebben over risico's verderop in de keten), het verlagen van de frequentie van periodieke beoordelingen, het verhogen van de drempels voor werknemers en omzet, het invoeren van "waardeketenplafonds" die de informatieverzoeken aan kmo-leveranciers zouden beperken, en zelfs het schrappen van de bepaling over wettelijke aansprakelijkheid.

De CSDDD is de hoeksteen van het duurzaamheidskader van de EU, waaromheen andere belangrijke wetgevingsstukken op elkaar zijn afgestemd en convergeren.

Nuttige bronnen:

  • Europese Commissie, richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD, 2024).
  • Europese Commissie, Omnibusvoorstel (2025).

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Voor Belgische bedrijven voert de CSDDD een wettelijke verplichting in om HREDD te implementeren. Degenen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zullen hun bestuursstructuren, beleid en processen moeten herzien en waar nodig aanpassen om naleving te garanderen. Zelfs van bedrijven die niet rechtstreeks onder de richtlijn vallen – zoals Belgische kmo's – zal steeds meer verwacht worden dat ze informatie verstrekken en verantwoordelijke praktijken aantonen om deel te kunnen blijven uitmaken van de waardeketens van grotere bedrijven. Nu België zich voorbereidt om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving, doen bedrijven die in het land actief zijn er goed aan om nu al aan deze verwachtingen te voldoen om juridische en reputatierisico's te vermijden en hun concurrentiepositie op de EU-markt te behouden.

Het bredere EU-kader

De EU is bezig met het opstellen van een uitgebreide reeks regels om de duurzaamheid van bedrijven te versterken:

  • De Conflictmineralenverordening (CMR) (2017): verplicht EU-importeurs van tin, wolfraam, tantaal en goud (3TG) uit conflictgebieden of gebieden met een hoog risico om hun toeleveringsketens te controleren en due diligence uit te voeren om te voorkomen dat met hun handel gewapende conflicten of mensenrechtenschendingen worden gefinancierd.
  • De taxonomieverordening van de EU (2020): stelt criteria vast om te bepalen of een economische activiteit "ecologisch duurzaam" is. Activiteiten moeten niet alleen bijdragen aan milieudoelen en mogen "geen schade berokkenen" aan andere milieudoelen, maar moeten ook worden uitgevoerd in overeenstemming met de OESO-richtlijnen.
  • De richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven (CSRD) (2022): vereist dat grote bedrijven rapporteren in overeenstemming met de Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportage (ESRS). Dit betekent dat ze hun feitelijke en potentiële duurzaamheidsimpact, de gerelateerde financiële risico's en kansen en hoe deze worden beheerd, openbaar moeten maken. De ESRS omvatten ook verplichte rapportage over due diligence-processen, dus bedrijven moeten laten zien hoe ze risico's voor mensenrechten en het milieu identificeren, voorkomen en aanpakken.
  • De EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten (EUDR) (2023): vereist dat bedrijven die handelen in bepaalde grondstoffen (zoals rundvlees, cacao, koffie, palmolie, rubber, soja en hout) en afgeleide producten (zoals leer, chocolade of meubels) op de EU-markt bewijzen dat deze goederen geen verband houden met ontbossing of aantasting van bossen. Bedrijven moeten hun toeleveringsketens traceren tot op het land en due diligence-verklaringen overleggen voordat ze producten op de EU-markt brengen.
  • De EU-batterijenverordening (EUBR) (2023): legt zorgvuldigheidseisen en duurzaamheidsvereisten op voor de hele levenscyclus van batterijen (van de inkoop van grondstoffen tot recycling), inclusief standaarden op het gebied van mensenrechten, milieu en circulaire economie. In juli 2025 werd de inwerkingtreding met twee jaar uitgesteld tot augustus 2028 om de industrie en externe controle-instanties meer tijd te geven om zich voor te bereiden.
  • De EU-verordening inzake dwangarbeid (EUFLR) (2024): verbiedt bedrijven producten op de markt te brengen, beschikbaar te stellen of uit te voeren die met dwangarbeid zijn gemaakt.

Nuttige bronnen:

  • Discussienota: Naar een duurzaam Europa in 2030 (2019)
  • EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024 (2020)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Verscheidene van deze instrumenten – zoals de Conflictmineralenverordening en de richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven – zijn al omgezet in Belgisch recht, wat onmiddellijke nalevingsverplichtingen creëert voor Belgische bedrijven. Andere, zoals de EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten en de verordening inzake dwangarbeid, zijn rechtstreeks van toepassing en zullen zonder nationale omzetting worden gehandhaafd. Afhankelijk van hun grootte, sector en rol in de waardeketen kunnen bedrijven te maken krijgen met directe wettelijke verplichtingen of worden verplicht om grotere zakelijke partners te ondersteunen bij het voldoen aan hun verplichtingen. Dit betekent het versterken van interne systemen, het verbeteren van de traceerbaarheid en het voorbereiden van de manier waarop risico's voor mensenrechten en het milieu worden geïdentificeerd en aangepakt.

Nationaal kader, waaronder België

Nationale ontwikkelingen in regelgeving en verplichtingen

Op nationaal niveau heeft een toenemend aantal landen verplichte HREDD-wetten aangenomen.

Ontwikkelingen in België

België heeft zich geëngageerd om de internationale mensenrechtenverdragen die hierboven werden vermeld te respecteren, met inbegrip van de plicht om ervoor te zorgen dat deze rechten in de praktijk worden gerespecteerd, met name via binnenlandse wetten, staatsinstellingen en samenwerking met andere staten.

Voor bedrijven die in België actief zijn, worden veel van deze internationale verplichtingen al weerspiegeld in de nationale wetgeving. De Belgische grondwet garandeert een brede waaier van grondrechten en verbiedt discriminatie. Daarnaast heeft België uitgebreide wetten en regels uitgevaardigd met betrekking tot arbeidsrechten, gezondheid en veiligheid op het werk, gelijkheid en non-discriminatie, milieubescherming en consumentenrechten. Deze kaders vormen de wettelijke basis voor bedrijfsverantwoordelijkheid en -aansprakelijkheid in binnenlandse bedrijfsactiviteiten.

Belgisch Nationaal Actieplan Ondernemingen en Mensenrechten

In overeenstemming met de UNGP's keurde België in 2017 zijn eerste Nationale Actieplan (NAP) inzake Ondernemingen en Mensenrechten goed. Het NAP schetste maatregelen om verantwoordelijk zakelijk gedrag te bevorderen, de toegang tot rechtsmiddelen te verbeteren en de samenhang van het beleid tussen overheidsdepartementen te versterken. Het heeft ook geleid tot het creëren van hulpmiddelen om bedrijven en organisaties te helpen mensenrechten te begrijpen en in hun praktijken te verankeren:

  • Dit instrumentarium voor mensenrechten dat gebruiksvriendelijke hulpmiddelen biedt om bedrijven en hun belanghebbenden te ondersteunen bij het implementeren van verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten;
  • Een brochure over toegang tot rechtsmiddelen in België, met een overzicht van de belangrijkste juridische en niet-juridische rechtsmiddelen die beschikbaar zijn voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen.

In 2024 publiceerde België zijn tweede Nationale Actieplan, dat zal lopen tot 2029. Dit bijgewerkte NAP bouwt voort op de lessen van het eerste NAP en legt meer nadruk op het integreren van zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten in de bedrijfspraktijk, het ondersteunen van kmo's en het afstemmen op EU- en internationale ontwikkelingen zoals de CSDDD. Het schetst ook maatregelen om de beleidscoördinatie, de samenwerking met belanghebbenden en de toegang tot rechtsmiddelen te verbeteren.

Wetgevende ontwikkelingen

België heeft ook stappen ondernomen om zijn wettelijk kader te versterken. In april 2021 werd een wetsvoorstel ingediend om een zorgvuldigheidsplicht inzake mensenrechten in te voeren voor bedrijven die actief zijn in België. Hoewel dit voorstel niet werd aangenomen – in afwachting van de afronding van de CSDDD op EU-niveau – betekende het een sterke impuls om de nationale praktijk op één lijn te brengen met de internationale standaarden en de verantwoordingsplicht van bedrijven te vergroten.

Als EU-lidstaat is België nu verplicht om de CSDDD tegen juli 2027 om te zetten in nationale wetgeving. Dit zal wettelijk bindende due diligence-verplichtingen invoeren voor Belgische bedrijven. Van bedrijven die onder de richtlijn vallen, wordt verwacht dat ze hun beleid, processen en bestuursstructuren herzien en dienovereenkomstig aanpassen. Verdere nationale richtlijnen en uitvoeringsmaatregelen worden verwacht om bedrijven te helpen in de praktijk aan hun verplichtingen te voldoen.

Nuttige bronnen:

  • De Belgische Grondwet (Officiële Engelse vertaling, 2021)
  • Belgium: Labour and Employment Laws & Regulations (ICLG, 2025)
  • Werk en mensenrechten - Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (België)
  • Decent Work Toolbox - Belgisch ontwikkelingsagentschap
  • Ondernemingen en mensenrechten - FOD Buitenlandse Zaken (België)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Het groeiende aantal nationale HREDD-wetten in heel Europa – inclusief in belangrijke handelspartners als Frankrijk, Duitsland en Noorwegen – weerspiegelt de toenemende verwachtingen van bedrijven om risico's voor mensenrechten en het milieu te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Voor Belgische bedrijven met activiteiten, dochterondernemingen of zakenrelaties in deze landen kan het nodig zijn dat ze voldoen aan buitenlandse wettelijke vereisten of hun praktijken aanpassen om toegang te behouden tot markten en belangrijke zakenrelaties.

Ontwikkelingen in Europese landen

Relevante ontwikkelingen op het gebied van wetgeving in Europa zijn onder andere:

  • De Franse wet op de waakzaamheid (Loi sur le devoir de vigilance, 2017): geldt voor zeer grote Franse bedrijven (met meer dan 5.000 werknemers in Frankrijk of 10.000 wereldwijd). Het vereist van hen dat ze een "waakzaamheidsplan" implementeren en publiceren waarin ze gedetailleerd beschrijven hoe ze ernstige risico's voor mensenrechten en milieu in hun eigen activiteiten, dochterondernemingen en gevestigde toeleveringsketens identificeren, voorkomen en aanpakken. Bedrijven kunnen civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld als er schade optreedt doordat deze maatregelen niet zijn geïmplementeerd.
  • De Duitse due diligence-wet voor de toeleveringsketen (LkSG, 2021): geldt voor grote Duitse bedrijven (sinds 2024 bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers). Ze verplicht hen om due diligence uit te voeren met betrekking tot mensenrechten en bepaalde milieurisico's in hun eigen activiteiten en die van hun directe leveranciers, en in sommige gevallen indirecte leveranciers als het bedrijf "gefundeerde kennis" van risico's heeft. De wet wordt gehandhaafd door het Federaal Bureau voor Economische Zaken en Exportcontrole (BAFA), dat aanzienlijke boetes kan opleggen en bedrijven die niet voldoen, kan uitsluiten van overheidsopdrachten. De onzekerheid over de toekomst van de LkSG neemt toe, aangezien de Duitse regering medio 2024 het idee opperde om de wet in afwachting van de invoering van de CSDDD in 2026 twee jaar op te schorten.
  • De Noorse transparantiewet (Åpenhetsloven, 2021): is van toepassing op grote en middelgrote ondernemingen (Noors of buitenlands) die goederen of diensten aanbieden in Noorwegen en die aan bepaalde drempels voldoen (meer dan twee van de volgende criteria: groter dan 50 werknemers; jaarlijkse omzet van meer dan 70 miljoen NOK; of totale activa boven 35 miljoen NOK). Dit vereist dat ze due diligence aan de dag leggen op het gebied van mensenrechten en waardig werk, een jaarverslag publiceren over hun inspanningen en reageren op openbare verzoeken om informatie.

Buiten Europa overwegen andere landen, waaronder Brazilië, Canada, Colombia, Mexico, Zuid-Korea, Thailand en Nieuw-Zeeland, soortgelijke wetten.

Nuttige bronnen:

  • Franse wet op de waakzaamheid door bedrijven (Onofficiële Engelse vertaling door de European Coalition of Corporate Justice) (2016)
  • Duitse wet inzake due diligence-verplichtingen van ondernemingen ter voorkoming van mensenrechtenschendingen in de toeleveringsketen (LkSG, officiële Engelse vertaling, 2021)
  • Noorse wet met betrekking tot de transparantie en het werk van ondernemingen op het gebied van fundamentele mensenrechten en waardige arbeidsomstandigheden (Transparantiewet, Engelse vertaling, 2021)

Deze website is eigendom van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling.

Neem contact op voor meer informatie of feedback over de inhoud: businessandhumanrights@fido.fed.be

Met de steun van de Raad van Europa

Coördinatie: HIVA Onderzoeksinstituut voor Werk en Samenleving

Belgium official logo

Andere officiële informatie en diensten: www.belgium.be

© 2025 Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling | Developed by spontan.agency

Privacybeleid

Gebruiksvoorwaarden

Cookiebeleid

We use cookies on this site to enhance your user experience By clicking any link on this page you are giving your consent for us to set cookies.

Feedback