Skip to main content
Skip to main content Hulpmiddelen Woordenlijst

Hulpmiddelen

Belangrijkste gereedschappen

  • Wat wordt er van bedrijven verwacht?
  • Hoe aan de verwachtingen voldoen?
  • Verhaalmechanismen
  • Woordenlijst

Main navigation

Toolbox Logo
  • Toolbox Logo
  • Startpagina
  • Over
  • Woordenlijst
  • Test
  • Zoeken
    • EN
    • |
    • NL
    • |
    • FR
Hope icon

Wat wordt er van bedrijven verwacht?

News banner
Internationaal, regionaal en nationaal regelgevend landschap Reikwijdte en verplichtingen van bedrijven Staten in interactie met private organisaties Sectoren en gebieden met een hoog risico

Staten in interactie met private organisaties

Intro De staat als economische actor Staatsbedrijven (SOE's) Overheidsinterventie
In dit deel komt de band tussen de staat en de bedrijven aan bod; het bevat de voornaamste aspecten van de verplichtingen die de staat heeft op het vlak van mensenrechten als hij de interactie aangaat met de economische spelers. Verder worden in dit deel ook de mechanismen uiteengezet die de staat ontwikkeld heeft om ervoor te zorgen dat privéorganisaties de mensenrechten op hun grondgebied in acht nemen en beschermen en dat organisaties van EU-lidstaten die buiten de grenzen actief zijn, de mensenrechten respecteren overal waar ze activiteiten hebben.

Van de EU-lidstaten wordt verwacht dat ze de verplichtingen van overheids- en privéorganisaties op het vlak van mensenrechten reglementeren; hetzelfde geldt voor hun activiteiten die op hun grondgebied of in hun jurisdictie risico's inhouden voor de mensenrechten. Verder moeten de lidstaten nagaan of deze regelgevingen doeltreffend zijn, en vastgestelde hiaten opvullen.

1

De staat als economische actor

2

Staatsbedrijven (SOE's)

3

Overheidsinterventie

Hoewel staten activiteiten in andere staten niet kunnen controleren, wordt er wel van hen verwacht dat ze mechanismen creëren om ervoor te zorgen dat organisaties met een hoofdkantoor op hun grondgebied en vooral dan overheids- of privéorganisaties die staatssteun ontvangen, de mensenrechten in het buitenland respecteren.

EU-lidstaten zijn niet automatisch aansprakelijk als privéorganisaties de mensenrechten nadelig beïnvloeden, maar als ze geen concrete stappen ondernemen om deze nadelige gevolgen te voorkomen, te onderzoeken, te bestraffen en recht te zetten, kunnen ze ter verantwoording worden geroepen. De staat dient organisaties ook te informeren over hoe ze de mensenrechten in acht moeten nemen, en moet hen daarbij steunen. Als er nadelige gevolgen zijn, moet de staat een onderzoek instellen, sancties opleggen en elke vorm van schending van de mensenrechten ongedaan maken.

Dit deel is opgemaakt volgens de beginselen 4, 5 en 6 van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's), in drie delen:

  1. Werkmiddelen voor als de staat ingrijpt in de economie. Het gaat om activiteiten als overheidsopdrachten, privatiseringsprocedures, publiek-private partnerschappen (PPP's) en concessieovereenkomsten.
  2. Werkmiddelen voor als de staat bedrijven opricht (staatsbedrijven, ook overheidsbedrijven genoemd (SOE's)). De staat moet ervoor zorgen dat de activiteiten van entiteiten waarvan hij eigenaar is of waarover hij zeggenschap heeft, voldoen aan de mensenrechtennormen.
  3. Werkmiddelen voor als de staat aan privéorganisaties economische stimulansen toekent: voorkeurlabels, preferentiële kredieten en verzekeringen voor activiteiten in derde landen, subsidies, licenties enz. Van de staat wordt verwacht dat hij voor toezicht zorgt en mechanismen creëert om te voorkomen dat begunstigden van deze stimuleringsmaatregelen door hun activiteiten de mensenrechten nadelig beïnvloeden.

Een aantal van de mechanismen die de staat gebruikt om risico's te identificeren, te controleren of de mensenrechten in acht worden genomen en gebreken of hiaten te verhelpen, worden hierna, niet-uitputtend, opgesomd.

Nuttige werkmiddelen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
Meer informatie over de rechtsgrondslag van de verplichtingen van de staat op het vlak van mensenrechten

Internationale mensenrechtenverdragen zijn bindend voor staten die partij zijn, en de beschermde rechten zijn universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden. Wanneer België deze verdragen ratificeert, gaat het de verbintenis aan om "passende maatregelen van wetgevende, gerechtelijke, administratieve of andere aard te nemen om de uitoefening van de vermelde rechten te waarborgen voor alle personen die onder hun rechtsbevoegdheid vallen".

Bijgevolg moet België de mensenrechten beschermen tegen handelingen of nalatigheden van zijn eigen agenten en tegen schadelijke handelingen of nalatigheden van privéorganisaties en personen. Daarom moet het land zijn eigen activiteiten en die van particuliere organisaties binnen zijn jurisdictie reguleren.

België is aansprakelijk als zijn agenten de mensenrechten negatief beïnvloeden. Het is ook aansprakelijk als het geen gebruik maakt van regelgeving en gedwongen tenuitvoerlegging om te voorkomen dat privéorganisaties binnen zijn jurisdictie de mensenrechten negatief beïnvloeden.

De staat is de hoofdverantwoordelijke voor de naleving, bescherming en verwezenlijking van de mensenrechten van alle personen in zijn jurisdictie en heeft concrete plichten die voortvloeien uit de internationale en nationale regels en normen. Bijgevolg moet de staat de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de handelingen of nalatigheden van zijn agenten of privéorganisaties en personen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de mensenrechten. Deze verplichtingen kunnen concreet gemaakt worden door het beleid en door wetgevende, administratieve of gerechtelijke handelingen.

De verplichtingen van de staat ten overstaan van zijn eigen entiteiten en agenten

  • Ervoor zorgen dat zij de verplichtingen van de staat inzake de mensenrechten kennen en naleven wanneer ze hun eigen activiteiten uitvoeren, en dit door hen te informeren, op te leiden en voortdurend te ondersteunen.
  • Nagaan of zijn beleidsinitiatieven, afspraken en overeenkomsten de mensenrechten niet nadelig beïnvloeden. Indien nodig effectbeoordelingen van mensenrechten aanvragen en uitvoeren om na te gaan of er effectieve of potentiële conflicten zijn tussen zijn beleidsinitiatieven en overeenkomsten enerzijds en de mensenrechtenwetgeving anderzijds. Als uit de effectbeoordeling blijkt dat er een risico is dat de mensenrechten nadelig beïnvloed worden, de nodige maatregelen nemen om deze negatieve gevolgen aan te pakken.
  • Wetgevende, administratieve of gerechtelijke maatregelen nemen om de mensenrechten te beschermen, en effectieve oplossingen voorzien, economische stimulansen aanbieden of met privéorganisaties alleen overeenkomsten sluiten als zij hun verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten op zich nemen.
  • Licenties, subsidies, verzekeringen, economische stimulansen, contracten voor overheidsopdrachten, exportkredieten en andere vormen van staatssteun intrekken als bewezen is dat ze betrokken zijn bij de schending van de mensenrechten.
  • Lacunes op het vlak van naleving en informatieverstrekking wegwerken.
  • De strijd aanbinden tegen de corruptie.
  • De naleving van de mensenrechten bij PPP's en privatiseringsprocessen consolideren door universele dekking, continuïteit en haalbaarheid van de dienst en gebruikersparticipatie te garanderen.
  • Intellectuele eigendomsrechten beschermen zonder andere mensenrechten te schenden, zoals het recht om te genieten van de voordelen van wetenschappelijke vooruitgang, toegang tot essentiële geneesmiddelen of tot productieve bronnen, of het recht van inheemse volkeren op hun traditionele kennis en genetische bronnen.
  • Ervoor zorgen dat de agentschappen voor ontwikkelingssamenwerking, betrokken ministeries, exportfinancieringsinstellingen enz. de nodige mechanismen implementeren om te controleren of hun activiteiten en de activiteiten van organisaties die met overheidsmiddelen worden gesteund, in overeenstemming zijn met de mensenrechten en het humanitair recht. Dit kan door checklists of indicatoren op te stellen of databanken te creëren die door publieke en privéorganisaties geraadpleegd kunnen worden om na te gaan welke mensenrechten bedreigd worden, welke risicozones er zijn en welke de potentiële partners zijn.

Verplichtingen van de staat in verband met privéorganisaties

  • De activiteiten en mensenrechtenverplichtingen reguleren van privéorganisaties die in zijn jurisdictie actief zijn, en de naleving van de verplichtingen afdwingen als dat niet vrijwillig gebeurt. Dit kan bereikt worden door passende zorgvuldigheid en/of effectbeoordeling te eisen vooraleer een licentie, label of economische stimulans wordt toegekend. Dit kan ook uitgebreid worden tot de waardeketens van deze organisaties.
  • Erop toezien dat en controleren of organisaties en spelers hun verplichtingen inzake mensenrechten nakomen.
  • Toegang verschaffen tot kennis en informatie over mechanismen om verplichtingen inzake mensenrechten na te komen.
  • De belangen van organisaties in acht nemen, maar binnen de grenzen van de internationale en nationale regels en normen inzake mensenrechten.
  • De impact beoordelen van de activiteiten van privéorganisaties van lokale gemeenschappen en ervoor zorgen dat de belanghebbenden bijdragen.
  • Ingrijpen wanneer het risico groot is dat de activiteiten van privéorganisaties ernstige nadelige gevolgen hebben voor de mensenrechten. Bijvoorbeeld door goederen en/of diensten die voor de consument schadelijk kunnen zijn, te beperken, een behoorlijk minimumloon te bepalen, genderdiscriminatie te verbieden, enz.
  • Organisaties ertoe aanzetten om rapportage-instrumenten te implementeren als deze informatie bevatten over effectief of potentieel gevaar voor nadelige gevolgen voor de mensenrechten, en over de manier waarop die aangepakt worden. Deze rapportagesystemen moeten op hun beurt in overeenstemming zijn met de regelgeving voor gegevensbescherming.
  • Organisaties helpen als ze hun belanghebbenden raadplegen of procedures voor passende zorgvuldigheid of effectbeoordeling toepassen in conflictzones; extra begeleiding voorzien voor organisaties voor wat betreft hun plichten en het risico dat de mensenrechten ernstig geschonden worden.
  • Overheidssteun aan organisaties die betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen, weigeren en intrekken en klachtenmechanismen invoeren om feedback te krijgen over effectief of mogelijk getroffen personen.

Verplichtingen van de staat met betrekking tot andere staten

  • In staat zijn om toezicht te houden op de mensenrechten, na te gaan of deze organisaties niet betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen.
  • Druk uitoefenen op eigen organisaties opdat ze de regels en normen inzake de mensenrechten in de gastlanden naleven. Dit kan door concrete waakzaamheidsverplichtingen op te leggen voor organisaties met hoofdkantoor op hun grondgebied, in verband met hun eigen waardeketens; overleg met belanghebbenden in de hand werken; internationale samenwerkingsovereenkomsten afsluiten om belastingontduiking of transfer pricing-strategieën te voorkomen.
  • Buitensporige bescherming van het bankgeheim en lakse regels voor vennootschapsbelasting vermijden.

Internationaal kader

Internationale bindende en niet-bindende mensenrechtenwetgeving, -standaarden en -principes

De wereldwijde standaard voor wat er van bedrijven wordt verwacht op het gebied van mensenrechten berust op twee belangrijke internationale instrumenten: de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen).

the United Nations Guiding Principles on
Business and Human Rights (UNGPs)
the OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct (OECD Guidelines).

Dit zijn "soft law"-instrumenten – ze creëren geen juridisch bindende verplichtingen – maar het zijn internationaal erkende richtlijnen die aanzienlijke steun hebben gekregen doordat regeringen, bedrijven, middenveldorganisaties, Europese instellingen en vele andere actoren over de hele wereld de principes hebben onderschreven en zich ertoe hebben verbonden om ze in de praktijk te brengen.

Belangrijk is dat de UNGP's en de OESO-richtlijnen ook de weg hebben geëffend voor nationaal en EU-beleid dat HREDD-verwachtingen omzet in een wettelijke vereiste (zie de delen over regionale en nationale kaders).

The United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights

De UNGP's zijn ontwikkeld onder leiding van professor John Ruggie en zijn team, na jaren van multi-stakeholderoverleg, en werden unaniem goedgekeurd door de VN-Mensenrechtenraad in juni 2011. Ze zijn gestoeld op drie pijlers die de complementaire – maar verschillende – rollen van staten en bedrijven met betrekking tot mensenrechten schetsen:

Pijler 1: De plicht van de staat om te beschermen
Staten zijn volgens de internationale mensenrechtenwetgeving verplicht om individuen op hun grondgebied of onder hun rechtsbevoegdheid te beschermen tegen mensenrechtenschendingen, inclusief die welke verband houden met bedrijfsactiviteiten. Dit doen ze via beleid, wetten, regels en handhaving.
Pijler 2: De verantwoordelijkheid van bedrijven om respect op te brengen
Bedrijven moeten proactieve stappen ondernemen om te voorkomen dat ze de rechten van mensen schaden, zowel in hun eigen activiteiten als via hun zakelijke relaties.
Pijler 3: Toegang tot rechtsmiddelen
Zowel staten als bedrijven moeten ervoor zorgen dat mensen wier rechten zijn geschonden een effectief rechtsmiddel kunnen krijgen.

Voor bedrijven – ook Belgische – is vooral pijler 2 van cruciaal belang. De verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren geldt voor alle bedrijven, ongeacht hun grootte, en heeft betrekking op zowel hun eigen activiteiten als hun waardeketens. De UNGP's bieden bedrijven een praktisch kader om aan deze verantwoordelijkheid te voldoen door middel van beleid en processen die passen bij hun omvang en omstandigheden, waaronder:

1

Een publiek engagement om mensenrechten te respecteren.

2

Een due diligence-proces op het gebied van mensenrechten om de impact op mensenrechten te identificeren, te voorkomen, te beperken en er verantwoording over af te leggen.

3

Processen om te voorzien in, of mee te werken aan, herstel wanneer zij nadelige gevolgen veroorzaken of daartoe bijdragen.

Net als bij conventionele due diligence in het bedrijfsleven of de juridische sector gaat het bij due diligence op het gebied van mensenrechten (HRDD) om risicobeheer. Het belangrijkste verschil is dat traditionele due diligence zich vooral richt op risico's voor het bedrijf (bijvoorbeeld financieel, juridisch of reputatie), terwijl HRDD zich richt op risico's voor mensen. Deze verschuiving in perspectief is wat HRDD anders maakt.

Belangrijk is dat HRDD ook een gedragsnorm vertegenwoordigt: het geeft aan hoe een redelijk bedrijf zich onder de gegeven omstandigheden zou moeten gedragen. Met andere woorden, bedrijven worden niet beoordeeld op de vraag of alle risico's zijn geëlimineerd, maar op de vraag of ze kunnen aantonen dat ze de juiste stappen hebben genomen – in verhouding tot hun omvang, activiteiten en risicoprofiel – om de gevolgen voor mensenrechten te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. De geschiktheid van de stappen die zijn ondernomen om de geïdentificeerde risico's te ontdekken en aan te pakken, zal worden beoordeeld.

Cruciaal is dat de verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren verder gaat dan alleen naleving van de wet: van bedrijven wordt verwacht dat ze zich aanpassen aan internationaal erkende mensenrechtenstandaarden, zelfs als nationale regeringen tekortschieten in het nakomen van hun eigen verplichtingen.

Nuttige bronnen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), The UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
  • OHCHR, The Corporate Responsibility to Respect Human Rights: An Interpretative Guide (Verenigde Naties 2012)

Welke mensenrechten worden internationaal erkend?

De UNGP's definiëren internationaal erkende mensenrechten als minimaal de rechten die zijn vastgelegd in twee belangrijke bronnen:

  • het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens; en
  • de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake de Fundamentele Principes en Rechten op het Werk.

Het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens bundelt drie historische instrumenten die door de meeste landen ter wereld zijn geratificeerd:

  • De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948): aangenomen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, legt het voor het eerst een gemeenschappelijke standaard van fundamentele rechten en vrijheden voor alle mensen vast. Hoewel niet wettelijk bindend, is het de basis en het referentiepunt geworden voor de moderne mensenrechtenwetgeving.
  • Het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR, 1966): garandeert essentiële civiele en politieke rechten zoals het recht op leven, privacy en een eerlijk proces; vrijheid van meningsuiting, religie en vereniging; en bescherming tegen marteling, slavernij, willekeurige opsluiting en discriminatie. Landen die het IVBPR ratificeren (zoals België) zijn wettelijk verplicht om de bepalingen ervan na te leven en regelmatig rapporten in te dienen bij het VN-Mensenrechtencomité.
  • Het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR, 1966): beschermt rechten zoals een eerlijk loon, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, vrijheid van vereniging, het recht op onderwijs, de hoogst haalbare gezondheidsstandaard, een adequate levensstandaard en deelname aan het culturele leven. Ratificerende landen (zoals België) moeten de rechten die zijn vastgelegd in het ICESCR geleidelijk aan realiseren. De naleving wordt gecontroleerd door het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten.

De Verklaring van de IAO inzake de Fundamentele Principes en Rechten op het Werk, oorspronkelijk aangenomen in 1998 en voor het laatst herzien in 2022, biedt een gezaghebbend kader over de rechten van werknemers, een centraal onderdeel van de UNGP's. Hoewel het geen verdrag is, verplicht de IAO-Verklaring alle lidstaten van de IAO (waaronder België) om de opgesomde principes te respecteren en te promoten, ongeacht of ze de gerelateerde IAO-verdragen al dan niet hebben geratificeerd. Dit omvat het handhaven van vijf fundamentele vrijheden:

  • vrijheid van vereniging en het recht op collectief overleg
  • uitbanning van gedwongen of verplichte arbeid
  • afschaffing van kinderarbeid
  • uitbanning van discriminatie in arbeid en beroep
  • een veilige en gezonde werkomgeving.

Deze rechten zijn verder uitgewerkt in de acht fundamentele IAO-verdragen.

Nuttige bronnen:

  • C087 - Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948
  • C098 - Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949
  • C029 - Verdrag betreffende dwangarbeid, 1930
  • C105 - Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957
  • C138 - Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973
  • C182 - Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999
  • C100 - Verdrag inzake gelijke beloning, 1951
  • C111 - Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, 1958

Belangrijk is dat internationaal erkende mensenrechten verder gaan dan deze basislijn. Van bedrijven wordt verwacht dat ze speciale aandacht besteden aan groepen en individuen die extra kwetsbaar zijn voor negatieve gevolgen wanneer hun activiteiten of zakelijke relaties hen kunnen beïnvloeden. Hieronder vallen inheemse volken, vrouwen, kinderen, mensen met een handicap, migranten en etnische of religieuze minderheden. Verschillende internationale mensenrechteninstrumenten voorzien in specifieke bescherming van specifieke groepen.

Nuttige bronnen:

Juridisch bindende verdragen (na ratificatie)

  • Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (ICERD, 1965) - Geratificeerd door België in 1975
  • Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW, 1979) - Geratificeerd door België in 1985
  • Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK, 1989) - Geratificeerd door België in 1991
  • Het IAO-Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken (nr. 169, 1989) - Niet geratificeerd door België.
  • Het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (ICMW, 1990) - Niet geratificeerd door België.
  • Het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD, 2006) - Geratificeerd door België in 2009.

Niet-bindend instrument (Soft Law)

  • De VN-verklaring over de rechten van inheemse volken (UNDRIP, 2007)

In conflictgebieden is ook het internationaal humanitair recht (IHR) van toepassing. Alle EU-lidstaten hebben de belangrijkste IHR-verdragen en -protocollen geratificeerd, wat betekent dat organisaties en individuen – waaronder bedrijven en hun vertegenwoordigers – het IHR moeten naleven.

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze de UNGP's in acht nemen – in het bijzonder door de bedrijfsverantwoordelijkheid voor het respecteren van de mensenrechten in hun beleid en praktijken te verankeren – om aan de maatschappelijke verwachtingen te voldoen en hun vergunning om als bedrijf actief te zijn te behouden.

The OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct

Samen met de UNGP's vormen de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen de wereldwijde maatstaf voor verantwoord zakelijk gedrag en een praktische blauwdruk voor hoe bedrijven hun verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren kunnen nakomen.

De OESO-richtlijnen werden voor het eerst geïntroduceerd in 1976 als aanbevelingen van OESO-lidstaten (waaronder België) en andere aangesloten regeringen aan bedrijven over verantwoord ondernemen. Ze werden in 2011 herzien om ze in overeenstemming te brengen met de UNGP's. Deze update introduceerde het concept van due diligence op het gebied van mensenrechten en breidde het uit naar domeinen als milieubescherming en klimaatverandering. De meest recente herziening vond plaats in 2023 en breidde de verwachtingen voor verantwoord ondernemen uit door due diligence in te voeren op het gebied van klimaat, biodiversiteit, wetenschap, technologie, omkoping en lobbyen.

De OESO-richtlijnen worden ondersteund door nationale contactpunten (NCP's) in elk deelnemend land. Deze nationale agentschappen zorgen voor bewustmaking en promotie van de richtlijnen – onder andere door bedrijven advies te geven – en bieden een platform voor de behandeling van klachten over vermeende inbreuken op de OESO-richtlijnen door bedrijven. Ze kunnen ook beleidsinspanningen van regeringen ondersteunen om verantwoord ondernemen te bevorderen. In België valt het NCP onder de Federale Overheidsdienst Economie (FOD Economie).

Daarnaast worden de OESO-richtlijnen aangevuld met sector- en onderwerpspecifieke richtlijnen die bedrijven praktische aanwijzingen geven over hoe ze deze verwachtingen in hun dagelijkse activiteiten in de praktijk kunnen brengen.

Nuttige bronnen:

  • OESO, OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (2023)
  • OESO, OESO Due Diligence Handreiking voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (2018)
  • Belgisch Nationaal Contactpunt (NCP) voor Verantwoord Ondernemen

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze zich schikken naar de OESO-richtlijnen – in het bijzonder door risicogebaseerde due diligence op te nemen in hun activiteiten en in hun waardeketens – zowel als een kwestie van goede praktijk als om te voldoen aan de toenemende verwachtingen van regelgevers, investeerders en het maatschappelijk middenveld.

Regionaal kader

Standaarden en principes in Europa en de grotere Europese ruimte

Van bedrijven die actief zijn in Europa wordt steeds meer verwacht – en in sommige gevallen geëist – dat ze de mensenrechten respecteren, niet alleen in hun eigen activiteiten, maar in hun hele waardeketen. Deze verwachtingen gaan uit van een groeiend aantal wettelijk bindende kaders die zijn ontwikkeld door instellingen zoals de Europese Unie en de Raad van Europa.

Samen vormen deze kaders een regionale juridische omgeving waarin het respecteren van mensenrechten niet langer alleen een goede praktijk is, maar een wettelijke en maatschappelijke verwachting aan het worden is.

Belangrijkste regionale standaarden die relevant zijn voor het bedrijfsleven en mensenrechten

Voor bedrijven die actief zijn in de EU zijn regionale standaarden – naast internationaal erkende mensenrechten – zeer relevant, omdat ze de juridische omgeving waarin bedrijven opereren vormgeven. Deze omvatten:

  • Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (1950): een verdrag van de Raad van Europa, bindend voor de lidstaten (waaronder België). Het garandeert de belangrijkste burgerlijke en politieke rechten (bijv. recht op leven, vrijheid van vereniging, non-discriminatie). Zijn jurisprudentie is vaak de drijvende kracht achter juridische hervormingen op nationaal niveau, die op hun beurt weer van toepassing zijn op bedrijven.
  • Het Europees Sociaal Handvest (1961, herzien 1996): een verdrag van de Raad van Europa, bindend voor de lidstaten (waaronder België). Het garandeert de belangrijkste economische en sociale rechten, zoals eerlijke arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk, het recht op sociale zekerheid en bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting. Zijn toezichtsorgaan, het Europees Comité voor Sociale Rechten, beoordeelt regelmatig de naleving door de staat en haar bevindingen vormen vaak de basis voor nationale hervormingen van het arbeids- en sociaal beleid, die ook van invloed kunnen zijn op de praktijken van bedrijven.
  • Het Handvest van de grondrechten van de EU (2000): brengt burgerlijke, politieke, economische en sociale rechten samen met moderne rechten zoals milieubescherming, gegevensbescherming en consumentenbescherming. Het is wettelijk bindend voor de EU-instellingen en de lidstaten. Verordeningen en richtlijnen van de EU (zoals de AVG over gegevensbescherming) moeten voldoen aan het Handvest, wat in de praktijk directe verplichtingen schept voor bedrijven.
  • Het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (2005): een juridisch bindend verdrag dat staten verplicht mensenhandel te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders te vervolgen. Het is van toepassing op alle vormen van mensenhandel, inclusief arbeidsuitbuiting, en legt de nadruk op de rechten van slachtoffers en de zorgvuldigheid van bedrijven. De implementatie ervan kan van invloed zijn op zakelijke verplichtingen, met name in risicovolle sectoren en toeleveringsketens.
  • De Europese pijler van sociale rechten (2017): een beknopt overzicht van de 20 belangrijkste principes ter bevordering van een eerlijker en meer inclusief Europa. In deze brochure, die is opgesteld in samenwerking met EU-instellingen, worden de structuur en doelstellingen van de pijler duidelijk uiteengezet.
  • De milieuwetgeving en het milieubeleid van de EU: een breed corpus van bindende richtlijnen en verordeningen over vervuiling, biodiversiteit, klimaat en het gebruik van hulpbronnen. Deze versterken en complementeren de due diligence-verplichtingen van de CSDDD, waardoor milieubescherming een kernkwestie wordt voor bedrijven.
  • De mensenrechten- en arbeidswetgeving van de EU: een breed corpus van juridisch bindende verdragen, richtlijnen en verordeningen met betrekking tot burgerlijke vrijheden, werknemersrechten en sociale bescherming. Hieronder vallen wetten over arbeidsomstandigheden, gelijke behandeling, gezondheid en veiligheid, gegevensbescherming en toegang tot de rechter. Samen ondersteunen en versterken ze de due diligence- en duurzaamheidsagenda van de EU, waardoor respect voor de grondrechten een kernpunt wordt voor bedrijven op het gebied van compliance en governance.
  • Het antidiscriminatiekader van de EU: een uitgebreid kader van bindende richtlijnen die discriminatie op grond van ras, gender, godsdienst, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid verbieden. Deze omvatten regels voor gelijke behandeling in arbeid, beroep en toegang tot goederen en diensten. Samen maken ze non-discriminatie tot een belangrijk juridisch en reputatievraagstuk voor bedrijven.

Deze instrumenten vormen de basis van de regionale juridische omgeving waarin bedrijven opereren. Voortbouwend op deze basis heeft de EU onlangs meer specifieke en bindende verplichtingen voor bedrijven geïntroduceerd die hen verplichten om mensenrechten en het milieu te respecteren in hun eigen activiteiten en doorheen hun waardeketens. De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD), die in 2024 werd aangenomen, is de hoeksteen van dit evoluerende wettelijke kader. Ze maakt deel uit van een breder regelgevend kader dat gericht is op het handhaven van duurzaam en verantwoord ondernemen in de EU en daarbuiten.

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Voor Belgische bedrijven betekent dit groeiende corpus van regionale standaarden en wetgeving een verschuiving van vrijwillige verbintenissen naar afdwingbare verplichtingen. Als lid van de EU en de Raad van Europa is België verplicht om deze standaarden om te zetten in nationale wetgeving, wat betekent dat bedrijven die in België actief zijn, zich eraan moeten houden. Dit juridische landschap vereist dat Belgische bedrijven niet alleen op de hoogte blijven, maar ook actief respect voor mensenrechten en het milieu integreren in hun beleid, hun praktijken en in hun waardeketens.

De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid

De CSDDD maakt het voor grote bedrijven wettelijk verplicht om zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu (Human Rights and Environmental Due Diligence – HREDD) uit te voeren in zowel hun eigen activiteiten als in hun “activiteitenketens”. Dit omvat:

  • upstream zakenpartners – leveranciers en andere partners die betrokken zijn bij de productie van goederen of de levering van diensten door het bedrijf
  • bepaalde downstream zakenpartners – zoals degenen die verantwoordelijk zijn voor distributie, transport en opslag van het product.

Welke bedrijven vallen onder de CSDDD?

De CSDDD is van toepassing op:

  • grote EU-bedrijven met meer dan 1.000 werknemers en een wereldwijde omzet van meer dan € 450 miljoen; en
  • niet-EU-bedrijven met een omzet van meer dan € 450 miljoen binnen de EU-markt.

Effect op kmo's

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vallen niet rechtstreeks onder de CSDDD, maar zij zullen de gevolgen indirect voelen. Grotere bedrijven zullen van hun leveranciers informatie eisen en bepaalde due diligence-maatregelen treffen om aan hun eigen verplichtingen te voldoen. Kmo's die deel willen blijven uitmaken van toeleveringsketens zullen zich aan deze verwachtingen moeten aanpassen.

Welke standaarden moeten bedrijven respecteren?

De CSDDD specificeert welke mensenrechten- en milieustandaarden bedrijven moeten respecteren.

De mensenrechten (Bijlage I, Deel I) zijn gebaseerd op de belangrijkste reeds genoemde internationale instrumenten, waaronder het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens en de IAO-verdragen. De belangrijkste verwachtingen zijn:

  • de uitbanning van kinderarbeid of dwangarbeid
  • eerlijke en passende lonen
  • veilige en gezonde leefomstandigheden

De milieustandaarden (Bijlage I, Deel II) zijn gebaseerd op belangrijke internationale milieuovereenkomsten. Bedrijven moeten in het bijzonder zorgen voor:

  • de bescherming van biodiversiteit
  • het voorkomen van aanzienlijke vervuiling
  • duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen
  • bijdrage aan het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5°C, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs

Handhaving

De CSDDD voorziet in twee belangrijke handhavingsmechanismen:

  • Toezichthoudende autoriteiten – elke lidstaat moet een toezichthouder oprichten met bevoegdheden om informatie op te vragen, bedrijven te onderzoeken, te reageren op klachten, corrigerende maatregelen te bevelen en boetes op te leggen.
  • Wettelijke aansprakelijkheid – bedrijven kunnen aansprakelijk worden gesteld als ze niet de juiste zorgvuldigheid betrachten en dit tot schade aan individuen leidt.

Het Omnibuspakket

Begin 2025 stelde de Europese Commissie een “Omnibuspakket” voor, dat de CSDDD en andere EU-regelgeving moest wijzigen met het uitgesproken doel om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren en de welvaart op lange termijn te bevorderen.

Op 14 april 2025 heeft de Raad van de EU het eerste deel van dit pakket - de "stop de klok"-richtlijn - goedgekeurd, waardoor de toepassings- en omzettingstermijnen van de CSDDD worden uitgesteld. Lidstaten, waaronder België, moeten nu de CSDDD omzetten in nationale wetgeving tegen 26 juli 2027, een jaar later dan oorspronkelijk gepland.

Het tweede deel van het pakket - waarover nog wordt onderhandeld - zou meer inhoudelijke veranderingen met zich mee kunnen brengen, zoals: het beperken van de due diligence-verplichtingen tot hoofdzakelijk Tier 1-leveranciers (tenzij bedrijven "plausibele informatie" hebben over risico's verderop in de keten), het verlagen van de frequentie van periodieke beoordelingen, het verhogen van de drempels voor werknemers en omzet, het invoeren van "waardeketenplafonds" die de informatieverzoeken aan kmo-leveranciers zouden beperken, en zelfs het schrappen van de bepaling over wettelijke aansprakelijkheid.

De CSDDD is de hoeksteen van het duurzaamheidskader van de EU, waaromheen andere belangrijke wetgevingsstukken op elkaar zijn afgestemd en convergeren.

Nuttige bronnen:

  • Europese Commissie, richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD, 2024).
  • Europese Commissie, Omnibusvoorstel (2025).

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Voor Belgische bedrijven voert de CSDDD een wettelijke verplichting in om HREDD te implementeren. Degenen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zullen hun bestuursstructuren, beleid en processen moeten herzien en waar nodig aanpassen om naleving te garanderen. Zelfs van bedrijven die niet rechtstreeks onder de richtlijn vallen – zoals Belgische kmo's – zal steeds meer verwacht worden dat ze informatie verstrekken en verantwoordelijke praktijken aantonen om deel te kunnen blijven uitmaken van de waardeketens van grotere bedrijven. Nu België zich voorbereidt om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving, doen bedrijven die in het land actief zijn er goed aan om nu al aan deze verwachtingen te voldoen om juridische en reputatierisico's te vermijden en hun concurrentiepositie op de EU-markt te behouden.

Het bredere EU-kader

De EU is bezig met het opstellen van een uitgebreide reeks regels om de duurzaamheid van bedrijven te versterken:

  • De Conflictmineralenverordening (CMR) (2017): verplicht EU-importeurs van tin, wolfraam, tantaal en goud (3TG) uit conflictgebieden of gebieden met een hoog risico om hun toeleveringsketens te controleren en due diligence uit te voeren om te voorkomen dat met hun handel gewapende conflicten of mensenrechtenschendingen worden gefinancierd.
  • De taxonomieverordening van de EU (2020): stelt criteria vast om te bepalen of een economische activiteit "ecologisch duurzaam" is. Activiteiten moeten niet alleen bijdragen aan milieudoelen en mogen "geen schade berokkenen" aan andere milieudoelen, maar moeten ook worden uitgevoerd in overeenstemming met de OESO-richtlijnen.
  • De richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven (CSRD) (2022): vereist dat grote bedrijven rapporteren in overeenstemming met de Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportage (ESRS). Dit betekent dat ze hun feitelijke en potentiële duurzaamheidsimpact, de gerelateerde financiële risico's en kansen en hoe deze worden beheerd, openbaar moeten maken. De ESRS omvatten ook verplichte rapportage over due diligence-processen, dus bedrijven moeten laten zien hoe ze risico's voor mensenrechten en het milieu identificeren, voorkomen en aanpakken.
  • De EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten (EUDR) (2023): vereist dat bedrijven die handelen in bepaalde grondstoffen (zoals rundvlees, cacao, koffie, palmolie, rubber, soja en hout) en afgeleide producten (zoals leer, chocolade of meubels) op de EU-markt bewijzen dat deze goederen geen verband houden met ontbossing of aantasting van bossen. Bedrijven moeten hun toeleveringsketens traceren tot op het land en due diligence-verklaringen overleggen voordat ze producten op de EU-markt brengen.
  • De EU-batterijenverordening (EUBR) (2023): legt zorgvuldigheidseisen en duurzaamheidsvereisten op voor de hele levenscyclus van batterijen (van de inkoop van grondstoffen tot recycling), inclusief standaarden op het gebied van mensenrechten, milieu en circulaire economie. In juli 2025 werd de inwerkingtreding met twee jaar uitgesteld tot augustus 2028 om de industrie en externe controle-instanties meer tijd te geven om zich voor te bereiden.
  • De EU-verordening inzake dwangarbeid (EUFLR) (2024): verbiedt bedrijven producten op de markt te brengen, beschikbaar te stellen of uit te voeren die met dwangarbeid zijn gemaakt.

Nuttige bronnen:

  • Discussienota: Naar een duurzaam Europa in 2030 (2019)
  • EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024 (2020)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Verscheidene van deze instrumenten – zoals de Conflictmineralenverordening en de richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven – zijn al omgezet in Belgisch recht, wat onmiddellijke nalevingsverplichtingen creëert voor Belgische bedrijven. Andere, zoals de EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten en de verordening inzake dwangarbeid, zijn rechtstreeks van toepassing en zullen zonder nationale omzetting worden gehandhaafd. Afhankelijk van hun grootte, sector en rol in de waardeketen kunnen bedrijven te maken krijgen met directe wettelijke verplichtingen of worden verplicht om grotere zakelijke partners te ondersteunen bij het voldoen aan hun verplichtingen. Dit betekent het versterken van interne systemen, het verbeteren van de traceerbaarheid en het voorbereiden van de manier waarop risico's voor mensenrechten en het milieu worden geïdentificeerd en aangepakt.

Nationaal kader, waaronder België

Nationale ontwikkelingen in regelgeving en verplichtingen

Op nationaal niveau heeft een toenemend aantal landen verplichte HREDD-wetten aangenomen.

Ontwikkelingen in België

België heeft zich geëngageerd om de internationale mensenrechtenverdragen die hierboven werden vermeld te respecteren, met inbegrip van de plicht om ervoor te zorgen dat deze rechten in de praktijk worden gerespecteerd, met name via binnenlandse wetten, staatsinstellingen en samenwerking met andere staten.

Voor bedrijven die in België actief zijn, worden veel van deze internationale verplichtingen al weerspiegeld in de nationale wetgeving. De Belgische grondwet garandeert een brede waaier van grondrechten en verbiedt discriminatie. Daarnaast heeft België uitgebreide wetten en regels uitgevaardigd met betrekking tot arbeidsrechten, gezondheid en veiligheid op het werk, gelijkheid en non-discriminatie, milieubescherming en consumentenrechten. Deze kaders vormen de wettelijke basis voor bedrijfsverantwoordelijkheid en -aansprakelijkheid in binnenlandse bedrijfsactiviteiten.

Belgisch Nationaal Actieplan Ondernemingen en Mensenrechten

In overeenstemming met de UNGP's keurde België in 2017 zijn eerste Nationale Actieplan (NAP) inzake Ondernemingen en Mensenrechten goed. Het NAP schetste maatregelen om verantwoordelijk zakelijk gedrag te bevorderen, de toegang tot rechtsmiddelen te verbeteren en de samenhang van het beleid tussen overheidsdepartementen te versterken. Het heeft ook geleid tot het creëren van hulpmiddelen om bedrijven en organisaties te helpen mensenrechten te begrijpen en in hun praktijken te verankeren:

  • Dit instrumentarium voor mensenrechten dat gebruiksvriendelijke hulpmiddelen biedt om bedrijven en hun belanghebbenden te ondersteunen bij het implementeren van verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten;
  • Een brochure over toegang tot rechtsmiddelen in België, met een overzicht van de belangrijkste juridische en niet-juridische rechtsmiddelen die beschikbaar zijn voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen.

In 2024 publiceerde België zijn tweede Nationale Actieplan, dat zal lopen tot 2029. Dit bijgewerkte NAP bouwt voort op de lessen van het eerste NAP en legt meer nadruk op het integreren van zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten in de bedrijfspraktijk, het ondersteunen van kmo's en het afstemmen op EU- en internationale ontwikkelingen zoals de CSDDD. Het schetst ook maatregelen om de beleidscoördinatie, de samenwerking met belanghebbenden en de toegang tot rechtsmiddelen te verbeteren.

Wetgevende ontwikkelingen

België heeft ook stappen ondernomen om zijn wettelijk kader te versterken. In april 2021 werd een wetsvoorstel ingediend om een zorgvuldigheidsplicht inzake mensenrechten in te voeren voor bedrijven die actief zijn in België. Hoewel dit voorstel niet werd aangenomen – in afwachting van de afronding van de CSDDD op EU-niveau – betekende het een sterke impuls om de nationale praktijk op één lijn te brengen met de internationale standaarden en de verantwoordingsplicht van bedrijven te vergroten.

Als EU-lidstaat is België nu verplicht om de CSDDD tegen juli 2027 om te zetten in nationale wetgeving. Dit zal wettelijk bindende due diligence-verplichtingen invoeren voor Belgische bedrijven. Van bedrijven die onder de richtlijn vallen, wordt verwacht dat ze hun beleid, processen en bestuursstructuren herzien en dienovereenkomstig aanpassen. Verdere nationale richtlijnen en uitvoeringsmaatregelen worden verwacht om bedrijven te helpen in de praktijk aan hun verplichtingen te voldoen.

Nuttige bronnen:

  • De Belgische Grondwet (Officiële Engelse vertaling, 2021)
  • Belgium: Labour and Employment Laws & Regulations (ICLG, 2025)
  • Werk en mensenrechten - Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (België)
  • Decent Work Toolbox - Belgisch ontwikkelingsagentschap
  • Ondernemingen en mensenrechten - FOD Buitenlandse Zaken (België)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Het groeiende aantal nationale HREDD-wetten in heel Europa – inclusief in belangrijke handelspartners als Frankrijk, Duitsland en Noorwegen – weerspiegelt de toenemende verwachtingen van bedrijven om risico's voor mensenrechten en het milieu te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Voor Belgische bedrijven met activiteiten, dochterondernemingen of zakenrelaties in deze landen kan het nodig zijn dat ze voldoen aan buitenlandse wettelijke vereisten of hun praktijken aanpassen om toegang te behouden tot markten en belangrijke zakenrelaties.

Ontwikkelingen in Europese landen

Relevante ontwikkelingen op het gebied van wetgeving in Europa zijn onder andere:

  • De Franse wet op de waakzaamheid (Loi sur le devoir de vigilance, 2017): geldt voor zeer grote Franse bedrijven (met meer dan 5.000 werknemers in Frankrijk of 10.000 wereldwijd). Het vereist van hen dat ze een "waakzaamheidsplan" implementeren en publiceren waarin ze gedetailleerd beschrijven hoe ze ernstige risico's voor mensenrechten en milieu in hun eigen activiteiten, dochterondernemingen en gevestigde toeleveringsketens identificeren, voorkomen en aanpakken. Bedrijven kunnen civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld als er schade optreedt doordat deze maatregelen niet zijn geïmplementeerd.
  • De Duitse due diligence-wet voor de toeleveringsketen (LkSG, 2021): geldt voor grote Duitse bedrijven (sinds 2024 bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers). Ze verplicht hen om due diligence uit te voeren met betrekking tot mensenrechten en bepaalde milieurisico's in hun eigen activiteiten en die van hun directe leveranciers, en in sommige gevallen indirecte leveranciers als het bedrijf "gefundeerde kennis" van risico's heeft. De wet wordt gehandhaafd door het Federaal Bureau voor Economische Zaken en Exportcontrole (BAFA), dat aanzienlijke boetes kan opleggen en bedrijven die niet voldoen, kan uitsluiten van overheidsopdrachten. De onzekerheid over de toekomst van de LkSG neemt toe, aangezien de Duitse regering medio 2024 het idee opperde om de wet in afwachting van de invoering van de CSDDD in 2026 twee jaar op te schorten.
  • De Noorse transparantiewet (Åpenhetsloven, 2021): is van toepassing op grote en middelgrote ondernemingen (Noors of buitenlands) die goederen of diensten aanbieden in Noorwegen en die aan bepaalde drempels voldoen (meer dan twee van de volgende criteria: groter dan 50 werknemers; jaarlijkse omzet van meer dan 70 miljoen NOK; of totale activa boven 35 miljoen NOK). Dit vereist dat ze due diligence aan de dag leggen op het gebied van mensenrechten en waardig werk, een jaarverslag publiceren over hun inspanningen en reageren op openbare verzoeken om informatie.

Buiten Europa overwegen andere landen, waaronder Brazilië, Canada, Colombia, Mexico, Zuid-Korea, Thailand en Nieuw-Zeeland, soortgelijke wetten.

Nuttige bronnen:

  • Franse wet op de waakzaamheid door bedrijven (Onofficiële Engelse vertaling door de European Coalition of Corporate Justice) (2016)
  • Duitse wet inzake due diligence-verplichtingen van ondernemingen ter voorkoming van mensenrechtenschendingen in de toeleveringsketen (LkSG, officiële Engelse vertaling, 2021)
  • Noorse wet met betrekking tot de transparantie en het werk van ondernemingen op het gebied van fundamentele mensenrechten en waardige arbeidsomstandigheden (Transparantiewet, Engelse vertaling, 2021)

Subpagina 3.1 - De staat als economische speler

De staat als economische speler

Als economische speler kan de staat een tweevoudige rol spelen: de economische activiteiten reguleren enerzijds en het wettelijke kader implementeren, ervoor zorgen dat het wordt nageleefd, en het consolideren. In deze context zou België moeten voldoen aan een regelgevingskader op drie niveaus: nationale, Europese en internationale wetten en richtsnoeren.

Duurzame overheidsopdrachten

Duurzame overheidsopdrachten moeten het recht op een gezonde omgeving, de sociale en arbeidsrechten en de kinderrechten waarborgen en systematische schendingen van de mensenrechten, zoals moderne slavernij, aanpakken.

In de EU en België moeten overheidsopdrachten duurzaam zijn en die duurzaamheid geldt voor alle aanbestedende diensten, dat wil zeggen de staat, de gewestelijke of lokale overheden, de publiekrechtelijke instellingen en verenigingen, de instellingen die overheidsdiensten verstrekken en activiteiten verrichten, of die een verwante concessie hebben, en, in sommige gevallen, bouwactiviteiten uitvoeren. De Belgische wet zet het EU-kader voor duurzame overheidsopdrachten om in wetten en definieert de drie pijlers voor duurzame overheidsopdrachten als volgt:

  • milieubescherming in openbare diensten,
  • bescherming van waardige werkomstandigheden en groene banen, en
  • bevordering van de mededingingsregels.

Ambtenaren, aannemers en belanghebbenden moeten informatie en een opleiding krijgen over de beginselen en streefdoelen van duurzame ontwikkeling om hun organisatorisch vermogen te verbeteren. Deze beginselen en streefdoelen moeten ook verspreid worden via de toeleveringsketens van in België actieve organisaties, die op hun beurt de naleving ervan moeten controleren en afdwingen.

De Belgische wetgeving verwijst expliciet naar het internationale kader waarmee bij overheidsopdrachten rekening moet worden gehouden, zoals de acht kernverdragen van de IAO en andere toepasselijke verdragen die het recht op een gezonde omgeving beschermen.

Mechanismen voor de implementatie en evaluatie van duurzame overheidsopdrachten

De staat heeft specifieke verplichtingen met betrekking tot duurzaam inkopen. Hij kan ook duurzame inkooppraktijken promoten en objectieve beoordelingsmechanismen invoeren. Aanbestedende diensten zijn verplicht om organisaties uit te sluiten waarvan aangetoond kan worden dat ze hun milieu- of sociale verplichtingen niet zijn nagekomen. Deze eisen kunnen ook in de uitvoeringsvoorwaarden van het contract en als gunningscriterium worden opgenomen. Deze gevallen worden expliciet genoemd in de wet:

  • de aanbestedende overheid heeft na inspectie van de arbeids- of milieuaspecten vastgesteld dat "de voorgestelde abnormaal lage prijs of kost" maar haalbaar is op manieren die niet voldoen aan de dwingende wetgeving op sociaal, arbeids- of milieugebied. Deze verplichting moet ook gelden voor onderaannemers.
  • de organisatie werd door een definitief strafvonnis veroordeeld voor overtreding van de sociale, arbeids- of milieuregels. Als het misbruik geen strafbaar feit is, is de uitsluiting discretionair.
  • de organisatie is door een definitief vonnis veroordeeld voor kinderarbeid, mensenhandel of tewerkstelling van onderdanen van derde landen met een onrechtmatige immigratiestatus.

Een ander mechanisme ter bevordering van duurzame inkooppraktijken is de bepaling van gunningscriteria en voorwaarden voor de uitvoering van contracten, zoals de eis om een van de volgende elementen voor te leggen: label of oorsprongsaanduiding, bewijs van een antidiscriminatiebeleid en -procedures, milieubenchmarks, passende zorgvuldigheid en transparantie van de toeleveringsketen, bewijs van naleving, rapportering en monitoring van beleidsvormen, praktijken en procedures inzake duurzame ontwikkeling, mensenrechten, klimaatverandering, enz.

Richtsnoeren en initiatieven voor duurzame overheidsopdrachten

Op internationaal, Europees en nationaal niveau werden verschillende publieke en privé-initiatieven opgezet om aanbestedende overheden richtsnoeren te verschaffen inzake de implementatie van duurzame praktijken. Enkele voorbeelden: het One Planet Network (een partnerschap met meerdere belanghebbenden dat tijdens de VN-Wereldtop over duurzame ontwikkeling werd goedgekeurd en het tienjarige kader van programma's inzake duurzame consumptie en productie moet implementeren (het Belgische Fair Trade Advocacy Office maakt hier deel van uit)); het Procura+ Network (dat overheden ondersteunt bij de implementatie van duurzaam inkopen en waarvan bpost group (het grootste postbedrijf van België), de Vlaamse en Waalse regering en de stad Gent lid zijn); ICLEI - Local Governments for Sustainability (wereldwijd netwerk van steden, gemeenten en regio's dat duurzame ontwikkeling promoot en daarbij de klemtoon legt op de wereldwijde stedelijke bevolking); het Global Lead City Network on Sustainable Procurement (netwerk van steden dat duurzame consumptie en productie, hulpbronnenefficiëntie, lage koolstofuitstoot en sociale verantwoordelijkheid bij inkoopprocessen promoot en waar Gent deel van uitmaakt); de UNEP Guidelines for Social Life Cycle Assessment of Products (2009); ISO 20400 over duurzaam inkopen; Buying Social: A Guide to Taking Account of Social Considerations in Public Procurement (Europese Commissie, 2021); Buying Green! - A Handbook on Green Public Procurement (Europese Commissie, 3e editie, 2016); en Guide des achats durables/Gids voor duurzame aankopen (website van het Belgische federaal programma voor duurzame ontwikkeling, bedoeld voor organisaties die aan openbare aanbestedingsprocedures meewerken).

Dit zijn enkele noemenswaardige initiatieven op nationaal en gewestelijk niveau: het Vlaamse Vizier 2030 (doelstellingenkader gelinkt aan Vision 2025); de "Praktijkgids over aankopen met sociale impact" (bedoeld om lokale en gewestelijke overheden te begeleiden als ze de sociale impact van inkopen moeten beoordelen; klemtoon op de vele voordelen van de implementatie van duurzame praktijken); "Toolbox Sociaal Verantwoorde Werkkledij: Een gids voor publieke aankopers" (voor wie betrokken is bij de aankoop van werkkledij voor overheidsinstellingen, ziekenhuizen en de politie) en de Waalse gids voor overheden van het gewest die openbare inkooppraktijken implementeren" Achats publics durables (Boite à outils)".

Useful resources:

  • The One Planet Network
  • The Procura+ Network
  • ICLEI - Local Governments for Sustainability
  • The UNEP Guidelines for Social Life Cycle Assessment of Products (2009)
  • ISO 20400 on Sustainable Procurement
  • Buying Social: A Guide to Taking Account of Social Considerations in Public Procurement (European Commission, 2021)
  • Buying Green! - A Handbook on Green Public Procurement (European Commission, 3rd edition, 2016)
  • Guide des achats durables/Gids voor duurzame aankopen
  • Flanders' Vizier 2030
  • The "Praktijkgids over aankopen met sociale impact"
  • "Toolbox Sociaal Verantwoorde Werkkledij: Een gids voor publieke aankopers"
  • Guide "Achats publics durables (Boite à outils)."
Publiek-private partnerschappen (PPP)

PPP's zijn langetermijncontracten tussen de publieke en de private sector waarin overheidsmiddelen worden geïnvesteerd om diensten van algemeen belang te financieren die door private of gemengde organisaties worden verstrekt. Duurzame PPP's kunnen dezelfde inkoopmechanismen implementeren: labels, rapporteringssystemen, hulpbronefficiëntie en eerlijke handel verplichten, gevaarlijke stoffen verbieden, afval en vervuiling tot een minimum beperken, schone technologie en deelname van de kmo's nastreven en de strijd aanbinden tegen mensenhandel.

EU-wetten definiëren diensten van economisch belang als activiteiten die door de overheid worden beschouwd als belangrijk voor de burgers en waarvoor tussenkomst van de staat vereist is, zoals voor energie, watervoorziening, transportnetwerken, postdiensten en sociale diensten. Een belangrijk voorbeeld op het gebied van energie-efficiëntie is BELESCO, de Belgische vereniging van energiedienstenbedrijven (ESCO's), die de voornaamste belanghebbenden in deze sector samenbrengt om energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te promoten.

Noemenswaardige richtlijnen voor duurzame PPP's op internationaal niveau:

  • Het Guidebook on Promoting Good Governance in PPPs van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) (2008) wil goede governance van PPP's als verstrekkers van overheidsdiensten invoeren
  • De World Bank Guidance on PPP Legal Frameworks 2022, bedoeld voor regeringen die publiek-private partnerschappen willen opnemen in hun toolkit met methodes voor de verstrekking van infrastructuuractiva en diensten
  • Het Public-Private-Partnership Resource Centre. Het PPP Resource Center, onder leiding van het Infrastructure Finance Department (IFD), is het centrum voor publiek-private partnerschappen van de Wereldbank; door kennis inzake de ontwikkeling van infrastructuren te delen, het engagement van de privésector te promoten en jobcreatie te ondersteunen, verstrekt het belangrijke middelen op dit gebied. Op het niveau van de EU verstrekken de Gids voor diensten van algemeen economisch belang (2017) en het Kwaliteitskader voor diensten van algemeen belang (SGI) in de EU (2017) nuttige informatie op dit domein.
Privatiseringen

De klemtoon moet gelegd worden op het feit dat, wat privatiseringen betreft, de verplichtingen van een staat op het vlak van mensenrechten altijd gelden. Commentaar bij het vijfde beginsel van de UNGP bijvoorbeeld illustreert dat de verplichting van de staat om op het vlak van mensenrechten voor gepast toezicht te zorgen, ook na de privatisering blijft bestaan.

Staatsbedrijven (SOE's)

Subpagina 3.2 – Staatsbedrijven (SOE's)

Bedrijven waarvan de aandeelhouders publieke entiteiten zijn, zijn in diverse sectoren actief. In België omschrijft de wet op duurzame overheidsopdrachten deze bedrijven als bedrijven die vanwege hun eigendomsrechten of financiële participatie onder invloed staan van publieke entiteiten. Er wordt terecht gesteld dat de staat een overheersende invloed heeft als hij het grootste aandeel van het kapitaal van het bedrijf of de meerderheid van de stemmen gelinkt aan de aandelen heeft, of als hij meer dan de helft van de raad van bestuur of het bestuur van het bedrijf kan aanstellen. België heeft verschillende soorten staatsbedrijven, zoals:

  1. Autonome staatsbedrijven (verstrekken meestal openbare diensten of zijn openbare socialezekerheidsinstellingen en moeten met de federale overheid een beheerscontract afsluiten).
  2. Staatsbedrijven opgericht door gewestelijke en lokale publieke entiteiten met uiteenlopende profit- en non-profitdoelstellingen en bedrijfsdoelen die in verschillende sectoren actief zijn, zoals transport, financiële of openbare diensten, haven- en luchthavenbeheer, openbare audiovisuele diensten, stadsonderhoud, sociaal krediet en huisvesting, hoger onderwijs en culturele activiteiten.
  3. Intergemeentelijke corporaties of samenwerkingsovereenkomsten tussen gemeenten (meestal opgericht om diensten van openbaar nut te ontwikkelen, zoals water- of elektriciteitsdistributie, sociale huisvesting, enz.)
  4. Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (opgericht door subnationale regio's om infrastructuurwerken te ontwikkelen, zoals industrie- of wetenschapsparken voor privéorganisaties).
Uw browser ondersteunt de video-tag niet.

In België geldt voor staatsbedrijven die openbare diensten verrichten, een speciale regeling die in de wet en in het beheerscontract is vastgelegd en de rechten en plichten van de gebruikers moet beschermen. In Vlaanderen worden staatsbedrijven die activiteiten van openbare dienstverlening verrichten, beschouwd als instellingen van openbare dienstverlening (Vlaamse overheidsinstellingen, VOI). Ze sluiten een beheers-/partnerschapsovereenkomst af en als deze niet wordt nageleefd, kan de staat sancties opleggen (meestal in de vorm van compensatie).

De OESO is een van de belangrijkste normbepalers voor staatsbedrijven, via de Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises ('Richtsnoeren') en andere, verwante instrumenten, zoals de G20/OECD Principles of Corporate Governance en de OECD Guidelines on Anti-Corruption and Integrity in State-Owned Enterprises. Het OESO-rapport over de eigendom en het bestuur van staatsbedrijven van 2024 ('OECD 2024 Report on SOEs') licht toe hoe de Richtsnoeren in verschillende jurisdicties wereldwijd geïmplementeerd worden, en verwijst ook naar resterende hiaten. De Richtsnoeren geven een uitgebreid kader voor het bestuur van staatsbedrijven en moeten ervoor zorgen dat deze staatsbedrijven efficiënt, transparant en verantwoord handelen. De Richtsnoeren werden in 2005 goedgekeurd en in 2015 een eerste keer herzien. De recentste herziening (oktober 2024) illustreert hoe de bestuurspraktijken evolueerden, en verwijst naar andere normen en goede praktijken die relevant zijn voor de werking van staatsbedrijven.

Het fundamentele beginsel dat ten grondslag ligt van de Richtsnoeren, is dat de staat moet handelen als een goed geïnformeerde eigenaar, die zorgt voor effectief bestuur en tegelijkertijd politieke inmenging in de activiteiten van staatsbedrijven vermijdt. Uit dit beginsel vloeien andere belangrijke bepalingen voort die betrekking hebben op zeven kerngebieden: (1) de wet- en regelgeving voor staatsbedrijven (met inbegrip van de omschrijving van de mandaten en verantwoordelijkheden van deze staatsbedrijven); (2) handhaving van een gelijk speelveld met de privésector; (3) de professionalisering van de raden van bestuur (een raad van bestuur moet onafhankelijke leden bevatten die over de nodige bevoegdheden beschikken en transparant aangesteld zijn); (4) transparantie (is een feit wanneer financiële en niet-financiële informatie op regelmatige basis meegedeeld wordt); (5) de billijke behandeling van aandeelhouders (de rechten van alle aandeelhouders beschermen, ook de minderheids- en buitenlandse aandeelhouders, en zorgen voor verhaalmechanismen indien nodig); (6) heldere doelstellingen en monitoring van de prestaties (regeringen moeten heldere doelstellingen bepalen en de prestaties van staatsbedrijven monitoren op basis van doelen, evaluaties en stimuleringsstructuren); (7) relaties met de belanghebbenden en maatschappelijk verantwoord ondernemen (beklemtonen dat de staatsbedrijven met de belanghebbenden verantwoorde betrekkingen moeten aanknopen en moeten bijdragen tot de duurzame ontwikkeling).

De belangrijkste verandering in de herziening van 2024 is het extra hoofdstuk over duurzaamheid. Hoofdstuk V van de Richtsnoeren van 2015 met de titel 'Stakeholder relations and responsible business', werd herwerkt tot de huidige versie, deel VII met als titel 'State-owned enterprises and sustainability'. De essentie van hoofdstuk VII ligt hierin dat staatsbedrijven er door het kader voor corporate governance toe aangezet moeten worden om beslissingen te nemen en hun risico's te beheren op een manier die bijdraagt aan hun duurzaamheid, veerkracht en waardecreatie op lange termijn. In deze context zijn dit de voornaamste boodschappen van Hoofdstuk VII:

Voor staten
  • Staten moeten voor de staatsbedrijven de lat hoog leggen als het gaat over de naleving van normen voor verantwoord ondernemerschap (zoals de G20/OECD Principles of Corporate Governance, de OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct, de UNGP's, de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van de IAO, de Driepartijenverklaring betreffende de beginselen in verband met multinationale ondernemingen en het sociaal beleid van de IAO, het Mondiaal pact en de Agenda 2030), in combinatie met efficiënte mechanismen om ze te implementeren (VII.D.). Bovendien moet worden opgemerkt dat veel staatsbedrijven ook vallen onder het toepassingsgebied van de Richtlijn duurzaamheidsrapportering van de Europese Unie (CSRD) en de Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid ('CSDDD').
  • Staten moeten de verantwoordelijkheden van staatsbedrijven ten opzichte van belanghebbenden erkennen zoals die bij wet of door toedoen van wederzijdse overeenkomsten bepaald zijn, en zij moeten eisen dat de staatsbedrijven verslag uitbrengen over hun betrekkingen met de belanghebbenden. Effectief verhaal voor schendingen van rechten tegen een redelijke prijs en zonder buitensporige vertraging moet worden gewaarborgd (VII.D.1.). Zinvolle betrokkenheid van belanghebbenden bij de bevordering van duurzaamheid en een gegarandeerd rechtvaardige transitie - met name van personen of groepen die mogelijk belang hebben bij of invloed kunnen ondervinden van de activiteiten van een bedrijf - moet worden ontwikkeld en aangemoedigd (VII.D.2.).
  • Wanneer de staat duurzaamheidsdoelen heeft gesteld, moeten deze in het beleid en de praktijken van de staat aangaande eigendom worden geïntegreerd door: concrete en ambitieuze verwachtingen inzake duurzaamheid te bepalen; de verwachtingen inzake duurzaamheid mee te delen en te verduidelijken door regelmatig de dialoog aan te gaan met de raden van bestuur; de afstemming van staatsbedrijven op de verwachtingen en prestaties inzake duurzaamheid regelmatig te beoordelen, te monitoren en er verslag over uit te brengen (VII.A.).
Voor staatsbedrijven
  • De raden van bestuur van staatsbedrijven moeten gepast rekening houden met risico's en kansen op het vlak van duurzaamheid, als ze hun kernfuncties uitoefenen; de volgende voorwaarden worden als essentieel beschouwd om een doeltreffend duurzaamheidsbeheer op bedrijfsniveau te kunnen waarborgen: beoordeling en begeleiding door de raad van bestuur van de ontwikkeling, implementatie en openbaarmaking van materiële duurzaamheidsdoelstellingen en doelstellingen als onderdeel van de bedrijfsstrategie; de integratie van duurzaamheidsoverwegingen in het risicobeheer en de interne controlesystemen; maar er moet een gepast en op de risico's gebaseerd beleid gevoerd worden en de aangelegenheden in verband met duurzaamheid moeten opgenomen worden in de beoordeling en monitoring van de prestaties van het bestuur.
  • De rapportage over en openbaarmaking van het duurzaamheidsbeleid moet voldoen aan hoogkwalitatieve, internationaal erkende normen die ervoor moeten zorgen dat openbaarmakingen inzake duurzaamheid consistenter en gemakkelijker vergelijkbaar zijn over alle markten, jurisdicties en bedrijven heen (VII.C.1.).
  • Verder moet overwogen worden om, in overeenstemming met internationaal erkende normen, geleidelijk aan de eis in te voeren dat jaarlijks een betrouwbaarheidsverklaring opgemaakt door een onafhankelijke, bevoegde en gekwalificeerde verstrekker van attesten wordt voorgelegd (VII.C.2.).

Nuttige werkmiddelen:

  • Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises ('Richtsnoeren')
  • G20/OECD Principles of Corporate Governance
  • OECD Guidelines on Anti-Corruption and Integrity in State-Owned Enterprises
  • Het OESO-rapport over de eigendom en het bestuur van staatsbedrijven 2024 ('OECD 2024 Report on SOEs')

Interventie van de staat

Subpagina 3.3 – Interventie van de staat

In dit deel komen de mechanismen voor interventie van de staat aan bod: privéorganisaties economische stimulansen geven om specifieke sectoren te promoten, responsieve acties in de hand werken of de nadelige effectieve of potentiële impact van deze activiteiten onder controle houden. In dergelijke situaties wordt van de staat verwacht dat hij een gedetailleerder overzicht bijhoudt om te garanderen dat de begunstigden het recht inzake de mensenrechten in acht nemen.

Labels

Er werden verschillende labels gelanceerd als een mechanisme om organisaties ertoe te bewegen om aan te tonen dat ze in kernsectoren voldoen. De labels houden verband met de naleving van mensenrechten; ze moeten specifieke rechten vrijwaren, zoals het recht op gelijkheid en non-discriminatie, sociale rechten, consumentenrechten, het recht op gezondheid en het recht op een gezonde omgeving. Labels kunnen ook gebruikt worden als vereiste om aan openbare aanbestedingsprocedures deel te nemen. Als labels ten onrechte werden toegekend, moet de bevoegde autoriteit de nodige maatregelen nemen om de situatie recht te zetten en de veroorzaakte schade vast te stellen. België heeft een aantal labels ingevoerd met betrekking tot de naleving van de mensenrechten, hoewel er geen informatie beschikbaar is over hun reikwijdte en effectiviteit. Het Ecolabel bijvoorbeeld, dat wordt toegekend door de Directie Milieu van de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, garandeert dat de labelhouder voor consumenten milieuvriendelijke producten op de markt brengt.

Richtlijnen in verband met labels

Het Milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) werd door de Europese Commissie ingevoerd via de specifieke EMAS-verordening om organisaties te helpen om hun milieuprestaties te verbeteren, energie te besparen en hulpbronnen optimaal te gebruiken. De EMAS-gebruikersgids (2023) helpt gebruikers bij de implementatie van de EMAS-verordening.

De NGO ECONOSO stelde de richtlijn "Les labels sous la loupe! Guide de défrichage pour éco-consommateur" op. Deze Gids helpt consumenten om in België gebruikte labels te identificeren en om te begrijpen of de labelhouder het milieu, de volksgezondheid en de arbeidsrechten respecteert wanneer hij gelabelde goederen produceert, of het label alleen om marketingredenen gebruikt.

Nuttige werkmiddelen:

  • Milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)
  • EMAS-gebruikershandleiding (2023)
  • Guide de défrichage pour éco-consommateur, van de NGO ECONOSO
Effectbeoordelingen

Dit instrument verwijst naar effectbeoordelingen die de staat uitvoert om na te gaan welke op het vlak van mensenrechten de effectieve of potentiële risico's zijn van overheidsbeleidsinitiatieven, overeenkomsten of economische activiteiten die met overheidsmiddelen worden gesteund of een hoog risico inhouden voor de samenleving; verder moet het instrument de belanghebbenden hierover informeren.

Milieueffectbeoordelingen (MEB's)

MEB's zijn bedoeld om na te gaan wat de mogelijke milieueffecten zijn van risicovolle activiteiten. EU-lidstaten moeten MEB's houden voor activiteiten met significante gevolgen voor het milieu. Als een organisatie deze activiteiten wil uitvoeren, moet ze hiervoor bij de lokale of gewestelijke overheid een milieuvergunning aanvragen. Belanghebbenden moeten commentaar kunnen leveren op de resultaten van MEB's. De uiteindelijke beslissing moet openbaar gemaakt worden, zodat burgers bij de bevoegde rechtbanken of instanties beroep kunnen aantekenen. Grensoverschrijdende MEB's moeten worden uitgevoerd wanneer een in België uitgevoerde activiteit een negatief milieueffect kan hebben in een ander land. De EU en België hebben verschillende instrumenten ontwikkeld om overheidsinstanties te helpen bij hun MEB's en aanverwante zaken.

Dit zijn enkele van deze instrumenten op binnenlands niveau: REACH Belgium (gecreëerd om de EU-verordening met betrekking tot de elektronische registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen door Belgische bevoegde overheden, te implementeren en zo het milieu en de volksgezondheid te beschermen); het Burgemeesterconvenant van de Vlaamse Regering (helpt lokale en provinciale overheden bij de implementatie van milieubeschermingsmaatregelen die onder hun bevoegdheid vallen); de online Navigator Wetgeving Leefmilieu, Natuur en Energie (een instrument van de Vlaamse Regering dat informatie verstrekt over de geldende milieuwetgeving en tools bevat om deze te implementeren); Credendo, een kredietverzekeringsgroep die een brede waaier van producten met een wereldwijde dekking aanbiedt.

Op Europees niveau zijn de drie richtsnoeren voor milieueffectbeoordeling van projecten inzake screening, scoping en opstelling van rapporten van milieueffectbeoordelingen relevant, net zoals de vereisten die met de GDPR voor effectbeoordelingen werden ingevoerd. De Herziene richtsnoeren en toolbox van de EU bevat richtlijnen voor effectbeoordelingen, checklists van grondrechten en andere verwante aangelegenheden, zoals arbeidsomstandigheden, gevolgen voor de volksgezondheid, territoriale impact en overleg met de belanghebbenden.

Nuttige werkmiddelen:

  • Europese Milieueffectbeoordelingen
  • REACH Belgium
  • Het Burgemeesterconvenant van de Vlaamse Regering helpt lokale en provinciale overheden om milieubeschermingsmaatregelen die onder hun bevoegdheid vallen, te implementeren
  • De online Navigator Wetgeving Leefmilieu, Natuur en Energie is een instrument van de Vlaamse Regering dat informatie verstrekt over de geldende milieuwetgeving en tools bevat om deze te implementeren
  • Credendo is een kredietverzekeringsgroep die een reeks producten aanbiedt die risico's wereldwijd dekken
  • Milieueffectbeoordeling van projecten: Richtsnoeren inzake screening (2017)
  • Milieueffectbeoordeling van projecten: Richtsnoeren inzake scoping (2017)
  • Milieueffectbeoordeling van projecten: Richtsnoeren inzake de opstelling van rapporten van milieueffectbeoordelingen (2017)
  • De vereisten die met de GDPR voor effectbeoordelingen werden ingevoerd
  • De Herziene richtsnoeren en toolbox van de EU

Beoordeling van de impact van handels- en investeringsovereenkomsten op de mensenrechten

Op internationale schaal bieden de UN Guiding Principles on Human Rights Impact Assessments of Trade and Investment Agreement een routekaart die staten kunnen gebruiken als ze over dergelijke overeenkomsten onderhandelen; bovendien worden hier de bestaande wettelijke en politieke procedures om ze te beoordelen, systematisch voorgesteld. Verschillende instrumenten die corruptie aanpakken, zoals: het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie, het Burgerrechtelijk verdrag inzake corruptie, de Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten in verband met de wettelijke regeling van lobbyactiviteiten in de context van besluitvorming door de overheid, het Verdrag van de OESO inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties en de verwante Aanbevelingen van de Raad 2021 zijn eveneens relevant voor staten die onderhandelen op het vlak van handel en investeringen.

Nuttige werkmiddelen:

  • UN Guiding Principles on Human Rights Impact Assessments of Trade and Investment Agreement
  • Het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa
  • Het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie
  • Het Burgerrechtelijk verdrag inzake corruptie
  • De Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten in verband met de wettelijke regeling van lobbyactiviteiten in de context van besluitvorming door de overheid
  • Verdrag van de OESO inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties (1999)
  • De verwante Aanbeveling van de Raad 2021
Verantwoord financieren

De staat moet ook beoordelen of de activiteiten van door hem gefinancierde organisaties nadelige gevolgen kunnen hebben voor de mensenrechten. Als er nadelige impact wordt veroorzaakt, moeten de betreffende organisatie en de financierende overheidsinstantie de nodige maatregelen nemen om een oplossing te garanderen.

Op het niveau van de EU zijn relevant in deze context: de Principes van de Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering (EDFI's) voor verantwoord financieren in duurzame ontwikkeling, het Actieplan van de Europese Commissie voor de financiering van duurzame groei en het Eindverslag van de deskundigengroep op hoog niveau over duurzame financiering.

Op internationaal niveau vormen de Equator Principles, een kader voor risicobeheer, de voornaamste zachte regelgeving inzake financiële activiteiten.

De NGO SOMO publiceerde ook de studie "Supervising the Environmental, Social and Governance Impact of Finance: How to Reinforce the Role of European and National Supervisory Authorities?", dat beoordeelt hoe financieringsactiviteiten mee de klimaatverandering kunnen beperken en sociaal nadelige gevolgen kunnen aanpakken.

Op binnenlands niveau hebben enkele publieke financiële instellingen responsieve financiering geïmplementeerd, zoals: BIO, de investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden van de Belgische overheid; het Trade for Development Centre (TDC) is een programma van ENABEL, het Belgisch Ontwikkelingsagentschap, en promoot eerlijke en duurzame handel door projecten te financieren en in België bewustzijn op te wekken aangaande de consumptie van eerlijke en duurzame producten uit ontwikkelingslanden.

Nuttige werkmiddelen:

  • De Principes van de Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering (EDFI's) voor verantwoord financieren in duurzame ontwikkeling
  • Het Actieplan van de Europese Commissie voor de financiering van duurzame groei
  • Het Eindverslag van de deskundigengroep op hoog niveau over duurzame financiering
  • De Equator Principles
  • "Supervising the Environmental, Social and Governance Impact of Finance: How to Reinforce the Role of European and National Supervisory Authorities?", een studie van SOMO
  • BIO, de investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden van de Belgische overheid
  • Trade for Development Centre (TDC)

Deze website is eigendom van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling.

Neem contact op voor meer informatie of feedback over de inhoud: businessandhumanrights@fido.fed.be

Met de steun van de Raad van Europa

Coördinatie: HIVA Onderzoeksinstituut voor Werk en Samenleving

Belgium official logo

Andere officiële informatie en diensten: www.belgium.be

© 2025 Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling | Developed by spontan.agency

Privacybeleid

Gebruiksvoorwaarden

Cookiebeleid

We use cookies on this site to enhance your user experience By clicking any link on this page you are giving your consent for us to set cookies.

Feedback