Van de EU-lidstaten wordt verwacht dat ze de verplichtingen van overheids- en privéorganisaties op het vlak van mensenrechten reglementeren; hetzelfde geldt voor hun activiteiten die op hun grondgebied of in hun jurisdictie risico's inhouden voor de mensenrechten. Verder moeten de lidstaten nagaan of deze regelgevingen doeltreffend zijn, en vastgestelde hiaten opvullen.
Hoewel staten activiteiten in andere staten niet kunnen controleren, wordt er wel van hen verwacht dat ze mechanismen creëren om ervoor te zorgen dat organisaties met een hoofdkantoor op hun grondgebied en vooral dan overheids- of privéorganisaties die staatssteun ontvangen, de mensenrechten in het buitenland respecteren.
EU-lidstaten zijn niet automatisch aansprakelijk als privéorganisaties de mensenrechten nadelig beïnvloeden, maar als ze geen concrete stappen ondernemen om deze nadelige gevolgen te voorkomen, te onderzoeken, te bestraffen en recht te zetten, kunnen ze ter verantwoording worden geroepen. De staat dient organisaties ook te informeren over hoe ze de mensenrechten in acht moeten nemen, en moet hen daarbij steunen. Als er nadelige gevolgen zijn, moet de staat een onderzoek instellen, sancties opleggen en elke vorm van schending van de mensenrechten ongedaan maken.
Dit deel is opgemaakt volgens de beginselen 4, 5 en 6 van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's), in drie delen:
- Werkmiddelen voor als de staat ingrijpt in de economie. Het gaat om activiteiten als overheidsopdrachten, privatiseringsprocedures, publiek-private partnerschappen (PPP's) en concessieovereenkomsten.
- Werkmiddelen voor als de staat bedrijven opricht (staatsbedrijven, ook overheidsbedrijven genoemd (SOE's)). De staat moet ervoor zorgen dat de activiteiten van entiteiten waarvan hij eigenaar is of waarover hij zeggenschap heeft, voldoen aan de mensenrechtennormen.
- Werkmiddelen voor als de staat aan privéorganisaties economische stimulansen toekent: voorkeurlabels, preferentiële kredieten en verzekeringen voor activiteiten in derde landen, subsidies, licenties enz. Van de staat wordt verwacht dat hij voor toezicht zorgt en mechanismen creëert om te voorkomen dat begunstigden van deze stimuleringsmaatregelen door hun activiteiten de mensenrechten nadelig beïnvloeden.
Een aantal van de mechanismen die de staat gebruikt om risico's te identificeren, te controleren of de mensenrechten in acht worden genomen en gebreken of hiaten te verhelpen, worden hierna, niet-uitputtend, opgesomd.
Internationaal kader
Internationale bindende en niet-bindende mensenrechtenwetgeving, -standaarden en -principes
De wereldwijde standaard voor wat er van bedrijven wordt verwacht op het gebied van mensenrechten berust op twee belangrijke internationale instrumenten: de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen).
Dit zijn "soft law"-instrumenten – ze creëren geen juridisch bindende verplichtingen – maar het zijn internationaal erkende richtlijnen die aanzienlijke steun hebben gekregen doordat regeringen, bedrijven, middenveldorganisaties, Europese instellingen en vele andere actoren over de hele wereld de principes hebben onderschreven en zich ertoe hebben verbonden om ze in de praktijk te brengen.
Belangrijk is dat de UNGP's en de OESO-richtlijnen ook de weg hebben geëffend voor nationaal en EU-beleid dat HREDD-verwachtingen omzet in een wettelijke vereiste (zie de delen over regionale en nationale kaders).
Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?
Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze de UNGP's in acht nemen – in het bijzonder door de bedrijfsverantwoordelijkheid voor het respecteren van de mensenrechten in hun beleid en praktijken te verankeren – om aan de maatschappelijke verwachtingen te voldoen en hun vergunning om als bedrijf actief te zijn te behouden.
Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?
Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze zich schikken naar de OESO-richtlijnen – in het bijzonder door risicogebaseerde due diligence op te nemen in hun activiteiten en in hun waardeketens – zowel als een kwestie van goede praktijk als om te voldoen aan de toenemende verwachtingen van regelgevers, investeerders en het maatschappelijk middenveld.
Regionaal kader
Standaarden en principes in Europa en de grotere Europese ruimte
Van bedrijven die actief zijn in Europa wordt steeds meer verwacht – en in sommige gevallen geëist – dat ze de mensenrechten respecteren, niet alleen in hun eigen activiteiten, maar in hun hele waardeketen. Deze verwachtingen gaan uit van een groeiend aantal wettelijk bindende kaders die zijn ontwikkeld door instellingen zoals de Europese Unie en de Raad van Europa.
Samen vormen deze kaders een regionale juridische omgeving waarin het respecteren van mensenrechten niet langer alleen een goede praktijk is, maar een wettelijke en maatschappelijke verwachting aan het worden is.
Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?
Voor Belgische bedrijven betekent dit groeiende corpus van regionale standaarden en wetgeving een verschuiving van vrijwillige verbintenissen naar afdwingbare verplichtingen. Als lid van de EU en de Raad van Europa is België verplicht om deze standaarden om te zetten in nationale wetgeving, wat betekent dat bedrijven die in België actief zijn, zich eraan moeten houden. Dit juridische landschap vereist dat Belgische bedrijven niet alleen op de hoogte blijven, maar ook actief respect voor mensenrechten en het milieu integreren in hun beleid, hun praktijken en in hun waardeketens.
Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?
Voor Belgische bedrijven voert de CSDDD een wettelijke verplichting in om HREDD te implementeren. Degenen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zullen hun bestuursstructuren, beleid en processen moeten herzien en waar nodig aanpassen om naleving te garanderen. Zelfs van bedrijven die niet rechtstreeks onder de richtlijn vallen – zoals Belgische kmo's – zal steeds meer verwacht worden dat ze informatie verstrekken en verantwoordelijke praktijken aantonen om deel te kunnen blijven uitmaken van de waardeketens van grotere bedrijven. Nu België zich voorbereidt om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving, doen bedrijven die in het land actief zijn er goed aan om nu al aan deze verwachtingen te voldoen om juridische en reputatierisico's te vermijden en hun concurrentiepositie op de EU-markt te behouden.
Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?
Verscheidene van deze instrumenten – zoals de Conflictmineralenverordening en de richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven – zijn al omgezet in Belgisch recht, wat onmiddellijke nalevingsverplichtingen creëert voor Belgische bedrijven. Andere, zoals de EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten en de verordening inzake dwangarbeid, zijn rechtstreeks van toepassing en zullen zonder nationale omzetting worden gehandhaafd. Afhankelijk van hun grootte, sector en rol in de waardeketen kunnen bedrijven te maken krijgen met directe wettelijke verplichtingen of worden verplicht om grotere zakelijke partners te ondersteunen bij het voldoen aan hun verplichtingen. Dit betekent het versterken van interne systemen, het verbeteren van de traceerbaarheid en het voorbereiden van de manier waarop risico's voor mensenrechten en het milieu worden geïdentificeerd en aangepakt.
Nationaal kader, waaronder België
Nationale ontwikkelingen in regelgeving en verplichtingen
Op nationaal niveau heeft een toenemend aantal landen verplichte HREDD-wetten aangenomen.
Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?
Het groeiende aantal nationale HREDD-wetten in heel Europa – inclusief in belangrijke handelspartners als Frankrijk, Duitsland en Noorwegen – weerspiegelt de toenemende verwachtingen van bedrijven om risico's voor mensenrechten en het milieu te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Voor Belgische bedrijven met activiteiten, dochterondernemingen of zakenrelaties in deze landen kan het nodig zijn dat ze voldoen aan buitenlandse wettelijke vereisten of hun praktijken aanpassen om toegang te behouden tot markten en belangrijke zakenrelaties.
Subpagina 3.1 - De staat als economische speler
De staat als economische speler
Als economische speler kan de staat een tweevoudige rol spelen: de economische activiteiten reguleren enerzijds en het wettelijke kader implementeren, ervoor zorgen dat het wordt nageleefd, en het consolideren. In deze context zou België moeten voldoen aan een regelgevingskader op drie niveaus: nationale, Europese en internationale wetten en richtsnoeren.
Useful resources:
- The One Planet Network
- The Procura+ Network
- ICLEI - Local Governments for Sustainability
- The UNEP Guidelines for Social Life Cycle Assessment of Products (2009)
- ISO 20400 on Sustainable Procurement
- Buying Social: A Guide to Taking Account of Social Considerations in Public Procurement (European Commission, 2021)
- Buying Green! - A Handbook on Green Public Procurement (European Commission, 3rd edition, 2016)
- Guide des achats durables/Gids voor duurzame aankopen
- Flanders' Vizier 2030
- The "Praktijkgids over aankopen met sociale impact"
- "Toolbox Sociaal Verantwoorde Werkkledij: Een gids voor publieke aankopers"
- Guide "Achats publics durables (Boite à outils)."
Staatsbedrijven (SOE's)
Subpagina 3.2 – Staatsbedrijven (SOE's)
Bedrijven waarvan de aandeelhouders publieke entiteiten zijn, zijn in diverse sectoren actief. In België omschrijft de wet op duurzame overheidsopdrachten deze bedrijven als bedrijven die vanwege hun eigendomsrechten of financiële participatie onder invloed staan van publieke entiteiten. Er wordt terecht gesteld dat de staat een overheersende invloed heeft als hij het grootste aandeel van het kapitaal van het bedrijf of de meerderheid van de stemmen gelinkt aan de aandelen heeft, of als hij meer dan de helft van de raad van bestuur of het bestuur van het bedrijf kan aanstellen. België heeft verschillende soorten staatsbedrijven, zoals:
- Autonome staatsbedrijven (verstrekken meestal openbare diensten of zijn openbare socialezekerheidsinstellingen en moeten met de federale overheid een beheerscontract afsluiten).
- Staatsbedrijven opgericht door gewestelijke en lokale publieke entiteiten met uiteenlopende profit- en non-profitdoelstellingen en bedrijfsdoelen die in verschillende sectoren actief zijn, zoals transport, financiële of openbare diensten, haven- en luchthavenbeheer, openbare audiovisuele diensten, stadsonderhoud, sociaal krediet en huisvesting, hoger onderwijs en culturele activiteiten.
- Intergemeentelijke corporaties of samenwerkingsovereenkomsten tussen gemeenten (meestal opgericht om diensten van openbaar nut te ontwikkelen, zoals water- of elektriciteitsdistributie, sociale huisvesting, enz.)
- Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (opgericht door subnationale regio's om infrastructuurwerken te ontwikkelen, zoals industrie- of wetenschapsparken voor privéorganisaties).
In België geldt voor staatsbedrijven die openbare diensten verrichten, een speciale regeling die in de wet en in het beheerscontract is vastgelegd en de rechten en plichten van de gebruikers moet beschermen. In Vlaanderen worden staatsbedrijven die activiteiten van openbare dienstverlening verrichten, beschouwd als instellingen van openbare dienstverlening (Vlaamse overheidsinstellingen, VOI). Ze sluiten een beheers-/partnerschapsovereenkomst af en als deze niet wordt nageleefd, kan de staat sancties opleggen (meestal in de vorm van compensatie).
De OESO is een van de belangrijkste normbepalers voor staatsbedrijven, via de Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises ('Richtsnoeren') en andere, verwante instrumenten, zoals de G20/OECD Principles of Corporate Governance en de OECD Guidelines on Anti-Corruption and Integrity in State-Owned Enterprises. Het OESO-rapport over de eigendom en het bestuur van staatsbedrijven van 2024 ('OECD 2024 Report on SOEs') licht toe hoe de Richtsnoeren in verschillende jurisdicties wereldwijd geïmplementeerd worden, en verwijst ook naar resterende hiaten. De Richtsnoeren geven een uitgebreid kader voor het bestuur van staatsbedrijven en moeten ervoor zorgen dat deze staatsbedrijven efficiënt, transparant en verantwoord handelen. De Richtsnoeren werden in 2005 goedgekeurd en in 2015 een eerste keer herzien. De recentste herziening (oktober 2024) illustreert hoe de bestuurspraktijken evolueerden, en verwijst naar andere normen en goede praktijken die relevant zijn voor de werking van staatsbedrijven.
Het fundamentele beginsel dat ten grondslag ligt van de Richtsnoeren, is dat de staat moet handelen als een goed geïnformeerde eigenaar, die zorgt voor effectief bestuur en tegelijkertijd politieke inmenging in de activiteiten van staatsbedrijven vermijdt. Uit dit beginsel vloeien andere belangrijke bepalingen voort die betrekking hebben op zeven kerngebieden: (1) de wet- en regelgeving voor staatsbedrijven (met inbegrip van de omschrijving van de mandaten en verantwoordelijkheden van deze staatsbedrijven); (2) handhaving van een gelijk speelveld met de privésector; (3) de professionalisering van de raden van bestuur (een raad van bestuur moet onafhankelijke leden bevatten die over de nodige bevoegdheden beschikken en transparant aangesteld zijn); (4) transparantie (is een feit wanneer financiële en niet-financiële informatie op regelmatige basis meegedeeld wordt); (5) de billijke behandeling van aandeelhouders (de rechten van alle aandeelhouders beschermen, ook de minderheids- en buitenlandse aandeelhouders, en zorgen voor verhaalmechanismen indien nodig); (6) heldere doelstellingen en monitoring van de prestaties (regeringen moeten heldere doelstellingen bepalen en de prestaties van staatsbedrijven monitoren op basis van doelen, evaluaties en stimuleringsstructuren); (7) relaties met de belanghebbenden en maatschappelijk verantwoord ondernemen (beklemtonen dat de staatsbedrijven met de belanghebbenden verantwoorde betrekkingen moeten aanknopen en moeten bijdragen tot de duurzame ontwikkeling).
De belangrijkste verandering in de herziening van 2024 is het extra hoofdstuk over duurzaamheid. Hoofdstuk V van de Richtsnoeren van 2015 met de titel 'Stakeholder relations and responsible business', werd herwerkt tot de huidige versie, deel VII met als titel 'State-owned enterprises and sustainability'. De essentie van hoofdstuk VII ligt hierin dat staatsbedrijven er door het kader voor corporate governance toe aangezet moeten worden om beslissingen te nemen en hun risico's te beheren op een manier die bijdraagt aan hun duurzaamheid, veerkracht en waardecreatie op lange termijn. In deze context zijn dit de voornaamste boodschappen van Hoofdstuk VII:
Nuttige werkmiddelen:
- Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises ('Richtsnoeren')
- G20/OECD Principles of Corporate Governance
- OECD Guidelines on Anti-Corruption and Integrity in State-Owned Enterprises
- Het OESO-rapport over de eigendom en het bestuur van staatsbedrijven 2024 ('OECD 2024 Report on SOEs')
Interventie van de staat
Subpagina 3.3 – Interventie van de staat
In dit deel komen de mechanismen voor interventie van de staat aan bod: privéorganisaties economische stimulansen geven om specifieke sectoren te promoten, responsieve acties in de hand werken of de nadelige effectieve of potentiële impact van deze activiteiten onder controle houden. In dergelijke situaties wordt van de staat verwacht dat hij een gedetailleerder overzicht bijhoudt om te garanderen dat de begunstigden het recht inzake de mensenrechten in acht nemen.